Column

Rineke Dijkstra en de bloeiende meisjes

Paul Graham en Rineke Dijkstra (en de gouden Hasselblad Award-medaille). Foto Erik van Zuylen

Een Nobelprijs voor fotografie, dat is de Hasselblad Award. Het is de belangrijkste prijs die een fotograaf kan krijgen, 1 miljoen Zweedse kroon groot (circa 100.000 euro), en afgelopen maandag kreeg Rineke Dijkstra ’m, in Göteborg. Haar Britse collega Paul Graham, Hasselbladwinnaar van vorig jaar, reikte hem uit, met een speech om te zoenen. Hij noemde Dijkstra’s foto’s „een daad van liefde” en vertelde hoe sommige van haar foto’s hem zo raakten dat ze zich vervlochten met zijn ziel (ik vat het hier even in mijn eigen woorden samen). Daarna speldde hij haar zo zenuwachtig de bij de prijs behorende zware gouden medaille op, dat die op de grond viel. Heel goed. We waren net toe aan een portie slappe lach.

Toen was het tijd voor toespraken. Ik zat erbij, ik zag Rineke Dijkstra gloeien. En hoewel ik part noch deel heb aan haar prestaties gloeide ik mee – gewoon uit ordinaire trots. De Hasselblad Award! Dat flikt deze Nederlandse kunstenaar toch maar.

De burgemeester van Göteborg – haar ambtsketen niet zo’n Anton-Pieckgeval maar gewaagd zilversmeedwerk uit de jaren zestig zoals ze desgevraagd vertelde – overspoelde ons met een volmaakte warme toespraak. Een directielid van Hasselblad besloot de avond met een jeugdervaring. Als dorpskind vroeg ze de plaatselijke fotograaf om een foto van haar te maken, omdat ze óók in zijn etalage wilde staan. De man deed het, ze heeft de foto bij zich: een zwart-witportret van een meisje, in haar linkerhand een pop die afhangt langs haar onderbeen. En ja, ze kwam in de etalage. Dat is óók wat een foto betekent: je wordt gezien, je bestaat.

Al die speeches, alles lijkt gezegd. Behalve één ding. Dus dat doe ik, in een kleine afterspeech.

Lieve Rineke Dijkstra. Je bent een geweldige fotograaf, ik herhaal het, niet als mantra maar omdat ik dat meen. Bij de uitreiking in Göteborg kwam telkens je „menselijkheid” aan de orde. Jouw foto’s bewijzen eer aan hoe sterk mensen zijn, hoe uniek. En in je stijl gloort iets wat verhindert dat die mensen personages worden. Stilletjes por je ze op om zichzelf te zijn.

Alleen, niemand sprak over wat het meest voor de hand ligt: je foto’s en video’s vertellen consequent over mensen in wording. Kinderen, pubers, jongvolwassen types. Mensen die nog niet af zijn, mensen die in de verte kijken. Ze bloeien. Er is toekomst, dat stralen ze uit, zo leg je ze vast sinds je strandfoto’s – waarmee alles begon. Hier besef ik weer dat je eerste strandfoto je zelfportret uit 1991 was. Je maakte hem in het Marnixbad in Amsterdam, uitgeput van de baantjes die je had getrokken. Badmuts, benen, blik. Je was zo jong. Onthutst keek je de toekomst in. Die lachte je toe, maar dat wist je toen nog niet.