Wie goed is, gaat weg uit Nederland

Waterpolo

Het is al enkele jaren een trend: bijna alle Nederlandse topwaterpoloërs spelen bij buitenlandse clubs. Door de exodus daalt het niveau van de eredivisie snel.

De meeste Nederlandse internationals, hier met bondscoach Arno Havenga op het WK in Boedapest afgelopen zomer, spelen bij clubs in het buitenland. Foto Gertjan Kooij

Het is een complete uittocht. Bijna de hele Nederlandse top, dertien mannen en zestien vrouwen, zelfs jeugdinternationals, speelt inmiddels in het buitenland, bij Spaanse, Hongaarse of Griekse clubs of in de Verenigde Staten. Uitstekend voor de individuele ontwikkeling – mannenbondscoach Robin van Galen stimuleert een vertrek naar het buitenland al jaren. Maar voor het niveau van de nationale competitie is het een drama.

Neem de Supercup bij de vrouwen, onlangs tussen GZC Donk en UZSC. Het had veel weg van een jeugdwedstrijd. Alleen de internationals Dagmar Genee (UZSC) en Isabella van Toorn (Donk) deden mee, de meeste speelsters waren niet ouder dan twintig. Van Toorn (22) begrijpt wel dat speelsters naar het buitenland willen. „Bij een Italiaanse of Griekse club kun je twee keer per dag trainen en verdien je geld met je sport. Maar voor de Nederlandse clubs is het jammer. Het niveau van de competitie daalt en wij moeten met GZC Donk steeds keer weer opnieuw beginnen met bouwen. Vorig jaar vielen we net buiten de prijzen en we hoopten daar dit seizoen verandering in te brengen. Maar nu zijn er twee meiden weg en kunnen we opnieuw beginnen.”

Te weinig zware wedstrijden

Oud-international Nerida Drewes (22), die bij landskampioen UZSC de kar trekt, maakt zich zorgen: „Een paar jaar geleden speelden we nog tegen de top van Nederland. Die topspeelsters spelen nu in het buitenland, waardoor het niveau van onze competitie sterk achteruit gaat. We hebben niet meer wekelijks zware wedstrijden. Je ziet speelsters fouten maken. Dat is ook logisch; die jonge meiden missen gewoon ervaring.”

Volgens vrouwenbondscoach Arno Havenga loopt het zo’n vaart niet. „De Nederlandse waterpolosters zijn in trek bij de buitenlandse clubs”, zegt hij. „Dat is ook een compliment. De Nederlandse vrouwen hebben een goed niveau en passen zich in het buitenland gemakkelijk aan. Dat maakt het voor zo’n buitenlandse club aantrekkelijk om een Nederlandse speelster in te huren.”

Door de uittocht van de internationals verjongt de eredivisie, en dat kan ook Havenga, die afgelopen zomer met Oranje op het WK in Boedapest als negende eindigde, niet ontkennen. Gaat het wel goed met de Nederlandse waterpolosters die in Beijing (2008) nog olympisch kampioen werden? „Het is fijn als je zelf ook een goede competitie hebt”, zegt hij. „Maar zo slecht is de eredivisie niet, hoor. Bij de vrouwen doen onze clubs in de Europa Cup nog goed mee. Maar waterpolo blijft in Nederland een amateursport, en we slagen er nog niet zo goed in onze sport te professionaliseren. Zolang de Nederlandse clubs nog maar drie keer per week trainen, blijft het buitenland trekken.”

Van Galen stimuleert zijn internationals al enkele jaren naar het buitenland te gaan. Bij professionele topclubs in Spanje kunnen de spelers zich goed ontwikkelen. De Nederlandse ploeg lijkt inderdaad langzaam aansluiting vinden bij de Europese top.

Niet te vroeg weg

„Voor mij is het geen vereiste dat mijn speelsters naar het buitenland gaan”, zegt Havenga. „Ik moedig dat ook niet aan en in sommige gevallen raad ik het zelfs af. Bij elke waterpoloster kijk ik weer of het slim is dat ze gaat. Is ze wel beter af bij zo’n buitenlandse club en is het niet te vroeg om Nederland te verlaten? We proberen dat goed te sturen en houden contact. Ook van de speelsters aan de andere kant van de wereld wil ik weten of ze goed eten en voldoende rust pakken.”

Een ander probleem is dat er in de eredivisie bij de vrouwen nog maar zeven ploegen spelen. „Ik vind dat te weinig”, meent Drewes. „Een paar jaar geleden hadden we nog twaalf teams. Daar maak ik me zorgen over.”

De bondscoach knikt. „Ook dat houden we goed in de gaten”, zegt Havenga. „Het gat tussen de topvijf en de rest van Nederland is te groot. Veel clubs willen niet in de eredivisie spelen en laten zich liever terugzakken naar de eerste klasse. Ze vinden het niet leuk om elke week met 20-5 op hun donder te krijgen. Voor de toekomst van het Nederlands waterpolo is het echter wel belangrijk dat er een volwaardige eredivisie blijft bestaan.”