Vrees voor omzetverlies en gevolgen voor armen

Verhoging btw

Een ‘brede coalitie’ van linkse partijen en branche- clubs verzet zich tegen de verhoging van het lage btw-tarief (onder meer voor voedsel en schoenmaker).

Foto: iStock

Desastreus, kwalijke zaak, niet blij mee, geen goede keuze, de kassa als belastingloket: de één drukt het wat sterker uit dan de ander, maar brancheclubs, maatschappelijke organisaties en linkse oppositiepartijen zijn niet tevreden met de plannen van het nieuwe kabinet voor het lage btw-tarief.

Onder Rutte III gaat dat tarief van 6 procent omhoog naar 9 procent, vanaf 2019. Het normale tarief blijft 21 procent. Het lage btw-tarief geldt voor veel alledaagse producten en diensten: voedsel en (niet-alcoholische) drank, water, geneesmiddelen, , een knipbeurt bij de kapper, schoenreparaties, de fietsenmaker, een kaartje voor museum of bioscoop.

Woensdag vormden GroenLinks, SP en PvdA samen met allerlei organisaties een ‘Brede coalitie tegen btw-verhoging’. De FNV, de Patiëntenfederatie, de Fietsersbond, de Koninklijke Boekverkopersbond, en de Beroeps Organisatie Kunstenaars doen mee. Verschillende sectoren die met het nieuwe tarief te maken krijgen, zeggen bezorgd te zijn over armere consumenten die nu al niet veel te besteden hebben. Maar zorg is er ook, of vooral, over het verlies aan omzet als producten duurder worden.

Schoenmakers maakten in de jaren negentig al eens een btw-verhoging mee, van 6 naar 17,5 procent. Dat was een klap voor de sector, zegt Margret Hoekenga-Idema, secretaris van de Nederlandse Schoenmakers Vereniging. Later werd die verhoging teruggedraaid. De supermarktsector beroept zich op zijn rol als leverancier van primaire levensbehoeften. „Eten en drinken is niet optioneel voor mensen”, zegt directeur Marc Jansen van CBL, de branchevereniging. „Dat zou je eigenlijk helemaal niet moeten belasten.”

Het is niet zeker of de maatregel juist lagere inkomensgroepen zal treffen. In een studie naar de effecten van het lage btw-tarief constateerde het Centraal Planbureau (CPB) in een rapport in 2014 dat rijke Nederlanders evenveel van het lage tarief profiteren als arme. Lage, midden- en hoge inkomensgroepen geven alle ruim 20 procent van hun besteedbaar inkomen uit aan producten en diensten met een laag btw-tarief.

Lage inkomensgroepen geven relatief veel geld uit aan primaire levensbehoeften, waaronder voedsel. Maar de meer vermogende Nederlander leunt ook op het lage tarief, schrijft het CPB: „Hogere inkomensgroepen kopen duurdere voedingsmiddelen, gaan meer uit eten, gooien meer voedsel weg, kopen meer tijdschriften en boeken, bezoeken vaker musea, concerten, etc..”

CPB: schaf lage btw liever af

Daaraan verbond het CPB meteen een politiek advies: je kunt het lage btw-tarief maar beter helemaal afschaffen. „Het verlaagde tarief is (…) geen doelmatig instrument om de belastingdruk voor lagere inkomensgroepen te verlichten”. Het btw-tarief heeft ook nog eens een „verstorend” effect op de economie als geheel, meent het CPB, omdat sommige goederen en diensten worden bevoordeeld ten opzichte van andere.

Hoe hard je als consument wordt getroffen door de ophoging van het lage tarief, hangt natuurlijk geheel af van je uitgavenpatroon. Op basis van CBS-cijfers uit 2013 is wel een indicatie te geven. In dat jaar (het meest recente waarover gegevens beschikbaar zijn) verdiende een gemiddeld huishouden bruto 58.000 euro, waarvan netto een bedrag overbleef van 33.600 euro, dat bijna geheel werd besteed. Een deel van die bestedingen, 8.790 euro, viel onder het lage btw-tarief. Na de verhoging van dit lage tarief door Rutte III zou een consument voor diezelfde bestedingen krap 250 euro per jaar extra kwijt zijn. Dat betekent niet dat huishoudens per saldo moeten gaan inleveren. Want, zo benadrukt het regeerakkoord, alle inkomensgroepen, vooral werkenden, gaan er de komende jaren op vooruit. Hoewel de btw omhoog gaat, gaat de inkomstenbelasting juist omlaag. Netto houden gezinnen meer over (ruim 5 miljard euro aan het einde van de kabinetsperiode).

Met een beetje geluk profiteert ook Mario Draghi, president van de Europese Centrale Bank, nog van de maatregel van Rutte III. Want één effect is vrijwel zeker: een hogere inflatie, wat de ECB al een tijd nastreeft. Het effect is direct (hogere prijzen), maar ook indirect: hogere looneisen. En die laatste leiden, omdat bedrijven dan duurder uit zijn, doorgaans ook tot hogere consumentenprijzen.