Rutte III teert in op de ruimte die Rutte II maakte

Financieel beleid

Het riante begrotingsoverschot dat het nieuwe kabinet aantreft zal niet helemaal worden aangesproken, maar voor de toekomst dreigt wel een gat op de begroting.

Minimumtarieven voor zzper’s en een ontslagvergoeding voor flexwerkers. Hogere lasten voor bedrijven en aanpak van brievenbusfirma’s. Meer geld voor onderwijs en ontwikkelingssamenwerking. En een trits aan groene belastingmaatregelen onder het mom van ‘de vervuiler betaalt’.

Wie een half jaar niet naar het nieuws heeft gekeken, zou zomaar kunnen denken dat het nieuwe regeerakkoord door een linkse coalitie is geschreven. Toch is het stuk met de weinigzeggende titel Vertrouwen in de toekomst echt van Rutte III, de samenwerking van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie. Drie partijen van vooral conservatieve snit, met D66 als progressieve eenling.

Met bovenstaande sociaal-economische agenda zal het voor de nieuwe linkse oppositie nog knap lastig worden om op de nieuwe coalitie te schieten. In klimaatbeleid is geen kabinet zo ver gegaan als het aankomende – al wordt het gros van de milieumaatregelen ter waarde van ruim 3 miljard euro pas ná 2021 ingevoerd. PvdA-leider Lodewijk Asscher noemde dit kabinet al ‘rechts met den bijbel’, maar de inkomensverschillen nemen niet toe volgens het Centraal Planbureau.

Op sociaal-economisch terrein zit er overigens nog genoeg dat niet links te noemen is. Zo doet Rutte III weinig aan de pensioenleeftijd. Vakbonden, een deel van de werkgevers en linkse partijen vinden dat de AOW-leeftijd op zijn minst flexibel moet worden. Zodat mensen met zwaar werk die moeite hebben de hogere pensioenleeftijd te halen eerder kunnen stoppen met werken. Dit kabinet roept vakbonden en werkgevers vooral streng op om hun leden en werknemers meer te laten bijscholen zodat zij de pensioenleeftijd wél halen. Het beleid rond de arbeidsmarkt is tweeslachtig: naast meer bescherming voor goedkope zpp’ers en flexwerkers, wordt ontslag makkelijker, en de ontslagvergoeding lager, voor mensen met een lang dienstverband.

Het economische beleid van Rutte III is kortom noch rechts noch links te noemen.

Rekening voor volgende generaties

Hamvraag tijdens de slepende formatie: hoeveel zou het nieuwe kabinet opsnoepen van het door het vorige kabinet zo knap bereikte begrotingsoverschot? Dat was door het CPB geraamd op ruim 13 miljard euro in 2021. Na jaren van bezuinigingen en lastenverzwaringen is de verleiding groot om daar leuke dingen van te gaan doen. Toch zeiden VVD, CDA, D66 en ChristenUnie tijdens de formatie telkens dat de financiële ruimte tegenviel. Omdat ze rekening hielden met een ander begrotingsbegrip: het houdbaarheidssaldo. Blijven de sociale voorzieningen op de lange termijn nog wel betaalbaar?

Het langverwachte antwoord: het derde kabinet Rutte gaat niet alle financiële ruimte in de schatkist gebruiken (bijna 8 miljard), maar zorgt volgens het CPB op de lange termijn wel voor een structureel gat in de begroting. Het nu nog positieve houdbaarheidssaldo zakt in 2021 weer onder nul. „Dit betekent”, noteert het CPB onheilspellend, „dat op enig moment in de toekomst” er weer moet worden bezuinigd of de belastingen omhoog moeten. In het politieke debat heet dat: Rutte III schuift de rekening door naar volgende generaties. Die zal Alexander Pechtold nog vaak moeten gaan incasseren – hij verweet het eerdere kabinetten met regelmaat.

Eerste stap in belastinghervorming

Het is niet de alomvattende herziening die de vorige regering vergeefs heeft geprobeerd, of die door twee zware adviescommissies waren voorgesteld. Ook wordt het belastingstelsel niet simpeler, zoals de geplaagde Belastingdienst hoopt. Toch staan er grote fiscale veranderingen voor de deur.

Meest in het oog springende hervorming, die iedere belastingbetaler zal merken, is de introductie van een ‘tweetaks’. Voor de inkomstenbelasting komt een tweeschijvenstelsel (in plaats van de huidige vier) waarbij mensen die minder dan 68.600 euro verdienen voortaan 36,9 procent aan belasting betalen, de inkomens daarboven 49,5 procent. De lastenverlichting die dit biedt is een compensatie voor een andere rigoureuze stap: de versnelde afbouw van de hypotheekrenteaftrek: in vier jaar tijd tot 36,9 procent.

„De boodschappen worden duurder”, klaagt de oppositie nu al. Dat komt omdat het lage BTW-tarief van 6 procent voor onder meer voedingsmiddelen omhooggaat naar 9 procent.

De belasting op vermogen, die tot voor kort werd gebaseerd op een fictief percentage van 4 procent, zal in de nabije toekomst nog meer aansluiten op het werkelijk behaalde rendement op spaartegoeden en beleggingen. Al moet het kabinet de formule hiervoor nog nader uitwerken.

Om kritiek op mogelijke uitvoeringsproblemen voor te zijn – de Algemene Rekenkamer concludeerde dat een eenvoudige tariefswijziging al lastig in te voeren is – trekt het kabinet de komende jaren eenmalig 450 miljoen euro extra voor de Belastingdienst uit.

Iedereen gaat erop vooruit

Alle inkomensgroepen – werkend of gepensioneerd, met laag of hoog inkomen, met of zonder kinderen, alleenstaand of met al dan niet werkende partner – gaan er de komende jaren in hun besteedbaar inkomen op vooruit. Dat blijkt uit de koopkrachteffecten van het nieuwe kabinetsbeleid, zoals het CPB die inschat. Van alle verschillende inkomensgroepen gaan mensen met een baan (1,4 procent), met kinderen (1,5 procent) en de hoogste inkomensgroepen (1,4 procent) er daarbij het meest op vooruit in de komende vier jaar.

Opvallend is dat de zogeheten ‘alleenverdieners’, huishoudens waarvan één partner werkt, er relatief ook goed op vooruit gaan: 1,2 procent. Dat is de laatste jaren een belangrijk strijdpunt geweest van met name Christen Unie.

Het tamelijk rigoureuze pakket aan fiscale maatregelen leidt ertoe dat de hogere inkomensgroepen er in eerste instantie harder op vooruitgaan dan de lagere inkomensgroepen. Wie jaarlijks meer dan 72.000 euro verdient gaat er de komende jaren gemiddeld 1,4 procent op vooruit. Wie minder dan 36.000 euro verdient slechts 0,8 procent.

Op de langere termijn, in de periode ná 2021 tot 2060, zullen de verschillen in inkomens (ten opzichte van nu) wél afnemen. De inkomensongelijkheid, uitgedrukt in de zogeheten Gini-coëfficiënt, zou de komende jaren aanvankelijk met 2,7 procent toenemen. Maar door een reeks aan lastenverlagende maatregelen van het nieuwe kabinet, die vooral voor lage inkomensgroepen structureel zijn, zal de inkomensongelijkheid afnemen. Midden- en hogere inkomens profiteren weliswaar meer van het nieuwe belastingstelsel met twee schijven en lagere tarieven, maar dat positieve effect is volgens het CPB „vooral zichtbaar in de periode 2018-2021”. Daarna is dat effect kleiner.

Bedrijfslasten gaan (licht) omhoog

Op het eerste gezicht lijkt het alsof Rutte III een feest gaat worden voor het bedrijfsleven. De winstbelasting gaat omlaag voor kleine en grote bedrijven; van 20 naar 16 procent en van 25 naar 21 procent. Maar er gaan ook allerlei belastingen omhoog. Zo komt er een CO2-heffing voor energiebedrijven en een heffing op vrachtverkeer. Ook voor bedrijven worden aftrekposten beperkt. Verder wordt belastingontwijking harder aangepakt en verdwijnen bepaalde belastingvoordelen voor bedrijven die hier louter een brievenbus hebben. Die doen dat om zo gebruik te maken van aantrekkelijke Nederlandse belastingregels, bijvoorbeeld op royalty’s. Om Nederland voor buitenlandse investeerders toch aantrekkelijk te houden wordt de dividendbelasting – nu 15 procent – afgeschaft.

Weer minder aantrekkelijk voor ondernemers is dat de belasting voor directeuren-grootaandeelhouders gaat stijgen (van 25 naar 28,5 procent). Per saldo gaan de lasten voor bedrijven omhoog met 100 miljoen euro. Hoe alle wijzigingen precies uitpakken zal verschillen per bedrijf.