Column

Moniek de reiger

Wanneer het begon weet ik niet, maar voor ik mijn dochter (2) ’s morgens naar de kinderopvang breng, sta ik met haar op het mini-balkon van ons huis in Betondorp. Tussen de vuilnisbak en het tafeltje met de planten wachten we op Moniek. De overbuurvrouw van wie ik de naam niet weet staat er dan al, altijd in die verschoten, lichtblauwe ochtendjas. De eerste sigaret van de dag tussen haar lippen.

Elke dag hetzelfde gesprek.

Ik: „Lekker, hè? Roken?”

Zij: „Ja, toch? Ik had er vannacht al zin in.”

Daarna: „Heeft ze weer geen zin om naar me te zwaaien?”

Ik tegen de dochter: „Zwaai maar, vindt ze leuk, zwaai dan. Zwaaien.”

Soms een gesprek over de weersverwachting, of iets over Ajax waarvan ze, toen die nog aan de overkant van de weg speelden, een seizoenskaart had. Kwamen de mensen uit Waalwijk die bij haar in het vak zaten altijd even een pilsje halen, maar die heeft ze sinds de Arena er is niet meer gezien.

Haar buurman komt ook vaak naar buiten, vriendelijke man met baard en bril, die zich in z’n witte HEMA-hemd nog even uitrekt.

„Is, ze d’r al? Moniek?”

Moniek is een verkreukelde reiger, vernoemd naar wijkagente Moniek omdat ze die ook iedere dag door de straat voorbij zien zwoegen op haar damesfiets.

Kwart voor negen komt ze.

‘Jaaaa!!”, schreeuwt mijn dochter als Moniek heel punctueel neerstrijkt tussen het groen op het dak van het fietsenschuurtje waar we consequent de zaadjes uit de Moestuintjes van Albert Heijn op hebben gegooid.

Een krassend geschreeuw.

Bek al half open.

„Ja-ja, ik ga het pakken”, zegt overbuurvrouw dan, terwijl ze d’r sigaret uitdrukt en de ochtendjas nog even aansnoert. Ze verdwijnt om het pak vissticks van het aanrecht te pakken en gooit er dan zwijgend drie of vier naar beneden. Ze worden opgevroten en daarna vertrekt Moniek weer, nagestaard vanaf de balkons.

Ik heb nul verstand van de dierenwereld en geen idee hoe een gemiddelde reiger de dag doorkomt, maar door steeds op hetzelfde tijdstip te verschijnen geeft Moniek ons het gevoel dat we speciaal zijn, en misschien wel meer dan dat.

„Ze komt voor de vissticks”, houd ik mijn dochter voor, want voor je het weet wordt de dierenliefde te groot en wil ze gaan werken voor de dierenambulance, waarvan het hoofdkantoor ook in onze buurt ligt en waarvan ik de vrijwilligers vaak net zo zielig vind als de dieren die ze ophalen.

Over twee weken verhuizen we naar een dorp.

Dag vies beest, dacht ik vanmorgen toen Moniek krassend weg vloog, ik ga je missen.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.