Recensie

Matte uitvoering van het taalvuurwerk in Vastgoed B.V.

Theater

In handen van meestervertaler Marcel Otten wordt ‘Glengarry Glen Ross’ van David Mamet een knallend ‘Vastgoed B.V.’, maar niet in deze uitvoering.

Huub Stapel als Rappanje en Jelle de Jong als Remmers in Vastgoed B.V. foto Tom Sebus

In 1992, 25 jaar geleden, speelde Toneelgroep Amsterdam een brisante uitvoering van Vastgoed B.V.. Regisseur Johan Doesburg zweepte zijn superieure cast op tot knallende optredens, onder wie een furieuze Pierre Bokma, opperschlemiel Kees Hulst en een ontketende Hajo Bruins. Die voorstelling deed niet onder voor de film die datzelfde jaar uitkwam, onder de originele titel Glengarry Glen Ross, met grote acteurs als Al Pacino en Jack Lemmon, en die voor een Oscar werd genomineerd.

Nu is het stuk van David Mamet opnieuw te zien als een KemnaSenf-productie en weer in een (herziene) vertaling van Marcel Otten. Maar daarbij blijkt dat de tragische en bijtende tekst van Mamet, ondanks de flonkerende bewerking door Otten, ook een fletse bedoening kan opleveren.

Regisseur Job Gosschalk weet geen ritme te krijgen in de gesprekken van de praatgrage verkopers, die met elkaar wedijveren voor een goede plek op ‘het bord’. Dat bord is de ranglijst van beste verkopers en de doem die hen boven het hoofd hangt is dat de mannen die onderaan staan, worden ontslagen. Dus doen ze alles om aan informatie te komen over goede kavels die ze kunnen verhandelen.

Die mannen moeten blufpokeraars zijn, charmante klootzakjes, die vloeken en tieren of slijmen en likken als het moet. Maar Frederik Brom blijft ongevaarlijk in zijn rol van Keska, op papier de grootste schoft. Tegenover hem staat de uitgerangeerde Rappanje, die onderaan het bord bungelt en wanhopig is. Alles aan deze voormalige sterverkoper is tragisch, maar Huub Stapel maakt hem op zijn best aandoenlijk. De enige bij wie je, verrassend genoeg, soms gelooft dat hij zijn rattige tekst ook meent, is Jörgen Raymann.

Door de matheid en door het gebrek aan chemie tussen de acteurs doet ook het plotje van Mamet opeens dun aan. Terwijl dat zou moeten verdwijnen onder het virtuoze taalvuurwerk van Otten, die in een eindeloze reeks varianten op scheldwoorden de mannen elkaar onder meer laat uitmaken voor ‘zeekreeft’, ‘pak Brinta’, ‘bedplasser’ en ‘lekke dakgoot’.