Bijna twee miljard euro meer naar onderwijs

Onderwijs Basisschoolleraren krijgen geld, maar het woord ‘lerarentekort’ ontbreekt in het akkoord.

D66-leider Alexander Pechtold Foto Bas Czerwinski/ANP

Er gaat meer geld naar onderwijs: 1,9 miljard euro tot 2021, op een huidige begroting van 38 miljard. Het nieuwe kabinet geeft het meeste extra geld uit aan de verbetering van de werkomstandigheden van basisschoolleraren. 1 Voor verhoging van hun salaris wordt jaarlijks 270 miljoen extra vrijgemaakt.

1 Het demissionaire kabinet legde dit bedrag vast nadat Lodewijk Asscher, vicepremier en PvdA-leider, daar op had aangedrongen – hij dreigde met een kabinetscrisis. De basisschoolleraren vinden dit bedrag niet genoeg en dreigen met nieuwe stakingen.

Daarnaast gaat er 450 miljoen euro naar vermindering van de werkdruk, onder meer door klassen te verkleinen en conciërges aan te nemen. „Het beroep van onderwijzer wordt hierdoor aantrekkelijker, zowel voor mannen als voor vrouwen”, schrijven VVD, CDA, D66 en de ChristenUnie in het regeerakkoord.

De maatregelen moeten zorgen voor „goede docenten met een sterke positie”. 2 Het primair en voortgezet onderwijs kampen met een oplopend lerarentekort. Voor basisschoolleraren was dat onlangs reden om een dag te staken.

2 Opvallend: het woord ‘lerarentekort’ wordt in het regeerakkoord niet genoemd. En tegen het groeiende tekort van bevoegde leraren in de bètavakken, Nederlands, Duits, Engels en andere vakken in het voortgezet onderwijs doet het nieuwe kabinet niets extra’s. Het is nog steeds moeilijk en duur om later in een loopbaan te worden omgeschoold tot leraar. En in het akkoord staan veel plannen, zoals een grootscheepse curriculumherziening en het volgens de Onderwijsraad nodeloos ingewikkeld gemaakte lerarenregister, die het werk van de leraar er niet lichter op maken.

3 Opmerkelijk is dat de in 2013 ingevoerde rekentoets voor het voortgezet onderwijs in schooljaar 2019-2020 al plaats moet maken voor een alternatief. „In de tussentijd telt de rekentoets niet langer mee in het voortgezet onderwijs.” Nu zijn het sommen met tekstopdrachten die veel leerlingen op mbo-niveau niet kunnen volgen. In het mbo wordt de rekentoets beroepsgericht.

Een van de „voornaamste ambities van het dit kabinet liggen in de bestrijding van kansenongelijkheid”. Er komen meer ‘brede brugklassen’, voor kinderen die hun definitieve keuze voor een schooltype willen uitstellen. En ‘tussenscholen’ voor kinderen tussen de 10 en 14 jaar, voor een geleidelijke overgang van basisschool naar middelbare school.

3 De rekentoets werd nog maar drie jaar geleden ingevoerd door staatssecretaris Sander Dekker (VVD). De VVD wilde de toets houden, D66 wilde hem afschaffen. Dit is het compromis. Het wordt een andere toets, niet de „begrijpend-lezen-toets” die de toets nu volgens Tweede Kamerlid Paul van Meenen (D66) is.

Ook komen er experimenten met het volgen van lessen op een hoger schoolniveau, het ‘maatwerkdiploma’. 4 Het kabinet wil meer doorstroming naar hoger onderwijs en minder toelatingsdrempels (zoals de numerus fixus).

Praktijkonderwijs, nu enigszins weggedrukt in het vmbo, wordt een „afzonderlijke en volwaardige” schoolsoort. Leerlingen die hun mbo-diploma niet halen, krijgen een vakcertificaat.

4 Hoewel het kabinet aanstuurt op steeds meer studenten door meer doorstroming naar hoger onderwijs en internationalisering, krijgt het hoger onderwijs er niet meer geld bij. Er komt op termijn wel het geld bij dat wordt bespaard op de geschrapte basisbeurs. Toch wordt de trend van minder onderwijsgeld per student voortgezet. Voor wetenschappelijk onderzoek komt er meer geld, voor onderwijs minder. Het kabinet wil meer inzetten op bèta en techniek.

Van de maatschappelijke dienstplicht, een vurige wens van het CDA, komt een vrijwillige versie, een half jaar tegen een bescheiden vergoeding. Met als beloning een supplement op het diploma. Dat supplement moet een pre worden bij sollicitaties bij de overheid.

De basisbeurs voor hoger onderwijs komt niet terug, maar een eerstejaarsstudent krijgt wel een korting van 50 procent op het collegegeld. Er komt speciale aandacht voor technische opleidingen.

Het kabinet gaat scherper toezien op de toegevoegde waarde van Engelstalige opleidingen. Bovendien komt voor wetenschappelijk onderzoek elk jaar 400 miljoen euro extra beschikbaar.