Hoe Hollands wil je het hebben?

Rutte III wordt een kabinet dat in vrijwel alles gematigd wil zijn. Het nieuwe kabinet is een vertolking van het huidige politieke landschap, schrijft

Illustratie: Hajo

Toen afgelopen dinsdag dan eindelijk in Den Haag het regeerakkoord werd gepresenteerd – en Rutte, Buma, Pechtold en Segers het mochten verkopen aan de media – zat ik toch nog op het puntje van mijn stoel. Dat lijkt vreemd, want de afgelopen maanden was het nationale animo voor Rutte III zo ongeveer met de dag verder weggezakt, ook bij mij. Een ellenlange formatie, vier partijen die er min of meer noodgedwongen met elkaar moesten proberen uit te komen, ideologisch op veel gebieden elkaars tegenpool – wat moest daarvan terecht komen?

Hollandse pundits, die een half jaar duimen hadden moeten draaien, overtroffen elkaar in de media in sombere verwachtingen. Dit kan nooit lang duren. Een kabinet met een meerderheid van slechts één zetel, er hoeft maar een dwarsligger of aandachtstrekker bij te zitten, of het was einde oefening. Er komen drie verkiezingen aan, met als belangrijkste de Statenverkiezingen in 2019 – stel dat het kabinet zijn meerderheid dan kwijtraakt? Geen wonder dat Buma, Pechtold en Segers geen plaats nemen in het kabinet, zo kunnen ze het profiel van hun partij bewaken – de volgende verkiezingen liggen waarschijnlijk om de hoek.

Veel commentaren na de presentatie waren ook niet mals. Het is van alles een beetje! ‘Kabinet van bakfiets en kerkbank kopte deze krant – ik neem aan dat dat hoofdschuddend bedoeld was. Politiek redacteur Thijs Niemantsverdriet vatte het ongemak scherp samen: „Het individu én de gemeenschap. Het Wilhelmus in de klas én genderneutrale registratie bij de overheid. Stad én platteland. De bakfiets én de kerkbank. Links én rechts.” De NRC-redacteur ziet het regeerakkoord als een poging om „twee totaal verschillende politieke werelden met elkaar te verknopen: die van de kosmopolitische, individualistisch denkende grotestadbewoners en die van de onzekere burger in de regio die hecht aan zijn of haar lokale gemeenschap.”

Tom-Jan Meeus repte een dag na de presentatie van „een kabinet van freelance coalitiepartners: ieder voor zich, niemand voor ons allen.” Hij voorziet een ondraaglijke spanning bij VVD en CDA die er alles aan gelegen is om de ultrarechtse flank (de PVV en partijtjes als FvD) de wind uit de zeilen te nemen.

Kleine stapjes in alle richtingen

Bij een rondje langs experts viel vervolgens eveneens teleurstelling te horen – een beetje Europa, maar niet genoeg, een beetje economische hervorming, maar veel te weinig, een lichte vergroening, maar zonder werkelijke ambitie.

Samengevat: wie zoekt naar meeslepend politiek elan, naar de grote sprong voorwaarts, naar een uitgesproken visie over welke kant het met Nederland op moet, kon meteen de moed laten zakken. Het zit er gewoon niet in. In alle richtingen worden kleine stapjes gezet, iedereen krijgt een klein beetje zijn zin, omdat er weer geld is, maar het is voor niemand echt genoeg – alleen op het gebied van de ouderenzorg, misschien wel de grootste bron van maatschappelijke onvrede, wordt flink ingegrepen.

Deze ontvangst vormt wel groot contrast met het enthousiasme in de media toen Rutte en Samsom vier en half jaar geleden een kabinet vormden. Wie er toen voorzichtig op wees dat zo’n haastig kabinet van twee partijen die elkaar tijdens de aanloop van de verkiezingen ideologisch zwaar bevochten hadden, vragen om moeilijkheden was, was een zeurkous – wees blij dat de radicale flanken op links en rechts buiten spel waren gezet! Eindelijk kon er gewoon pragmatisch politiek gevoerd worden. Het midden is terug! kopte de Volkskrant uitgelaten. We weten hoe dat is afgelopen – het politieke midden is de afgelopen vier jaar geen moment terug geweest, en de PvdA hangt nog wel even in de touwen (al sluit ik een comeback van Asscher niet uit).

Hoe zit dat nu? Wellicht dat commentatoren die vier jaar geleden te hard van stapel liepen in hun enthousiasme van de weeromstuit voorzichtig zijn geworden, maar hun hoon begrijp ik niet helemaal. Juist het dinsdag gepresenteerde regeerakkoord hangt van echte politieke compromissen aan elkaar.

Het verschil met het vorige kabinet is allereerst natuurlijk dat nu geen grote offers gevraagd worden – je krijgt hoogstens niet helemaal je zin, en niet zoveel geld als je dacht nodig te hebben. Slim daarbij is dat er niet zozeer een uitruil van standpunten heeft plaatsgevonden, maar dat alle standpunten een beetje worden uitgedragen, zonder extreem te worden. Ja er zitten ideologische tegenstellingen in het regeerakkoord, maar ze zijn niet om van te schuimbekken – gewoon een beetje eigenaardig. Iedereen krijgt een beetje zijn zin, iedereen moet een beetje schikken.

Zo werkt het: wel het Wilhelmus bestuderen, maar het volkslied niet staand hoeven te zingen aan het begin van iedere schooldag. Wel flink veel geld voor de leraren, maar niet de 1,4 miljard die geëist wordt – ga dan nog maar eens geloofwaardig staken. Wel een maatschappelijke dienstplicht invoeren, maar wacht even, het wordt niet verplicht – en wanneer je idealisme niet tekortschiet, wordt je voorrang beloofd wanneer je later bij de overheid solliciteert. Meer geld naar ontwikkelingshulp, maar ook weer niet heel veel – en asielzoekers met een verblijfsstatus worden de eerste twee jaar allerlei voorzieningen onthouden, nee nee, niet voor altijd, slechts voor twee jaar.

Hoe Hollands wil je het hebben?

Dát was de reden dat ik mijn oren spitste – is dit wanhopig suf of juist behoorlijk slim? Dit kabinet richt zich inderdaad op het midden, en meer dan alleen in sociaal-economisch opzicht. Want het is de vraag of de ideologische tegenstellingen die Niemantsverdriet schetste, in de werkelijkheid ook zo scherp onverzoenlijk gemarkeerd zijn. Is er echt zo’n onoverbrugbaar diepe kloof tussen bakfiets en kerkbank? Er zijn er heel veel die kritiek hebben op Europa, maar er zijn er veel minder die fel tegen Europa zijn. Is de individualist ook volledig van gemeenschapszin verstoken – en heeft de lokale bewoner niet ook iets kosmopolitisch? Wat als mensen elkaar een beetje tegemoetkomen?

Na de presentatie werd aan Alexander Pechtold gevraagd of hij niet tegen die maatschappelijke dienstplicht was. Alleen als die van bovenaf verplicht wordt gesteld, antwoordde hij – maar je als jongere inzetten voor de samenleving, wie kan daartegen zijn? Net zo is het met het Wilhelmus en het Rijksmuseum – breng je zo’n verplicht nummer als uithangbord van een beklemmend neonationalisme om er bij kinderen van nieuwkomers tot in de zoveelste generatie in te hameren dat de Nederlandse cultuur de volmaakte incarnatie van de joods-christelijke beschaving is, dan zou ik onmiddellijk oproepen tot een boycot van het volkslied. Maar het volkslied bestuderen en in een historisch kader leren plaatsen – en ook meteen even de Nachtwacht bekijken, wie gaat daar van wakker van liggen? Neem dan wel ook even de slavernij mee, zou ik zeggen.

Geen lukrake verzameling standpunten

Je kunt dus van alles over het regeerakkoord van Rutte III zeggen, maar volgens mij niet dat het een lukrake verzameling standpunten van vier partijen uitdraagt. Het mikt heel doelbewust op het soort Nederlanders waar er heel veel van zijn – mensen die, ik vat het even samen, best tot iets bereid zijn, zolang het in hun ogen maar niet te gek wordt. Dit is een kabinet dat in vrijwel alles gematigd wil zijn, in de hoop dat de meeste mensen hun schouders ophalen in plaats van naar het Malieveld rennen. Het sleetse motto van Rutte III: vertrouwen in de toekomst. De vraag die echt gesteld wordt: zit er toekomst in vertrouwen? Want dat lijkt me de inzet: herstel van maatschappelijk vertrouwen.

En gaat het werken? Die vraag kan ik met geen mogelijkheid beantwoorden. Veel hangt af van de bewindslieden die binnenkort op het bordes staan. Charisma is in de Nederlandse politiek niet ruim voorhanden, maar een beetje persoonlijkheid zou al schelen.

Zeker, dit kabinet betekent een zware teleurstelling voor iedereen die naar een heldere politieke richting verlangt, naar een uitgesproken linkse of rechtse koers, naar een politieke lente. Opwindend is anders, ik geef het meteen toe. Ongetwijfeld zullen de flanken feller en radicaler worden, want wat is er in godsnaam politiek opwindend aan Grijs I? Maar dat brengt risico’s met zich mee – veel mensen zijn de polarisatie moe. Vergeet die gematigde kiezer niet – voor hem was er het afgelopen decennium heel weinig te kiezen. En geen van die flanken is bij de afgelopen verkiezingen werkelijk groot genoeg geworden om het land richting te geven.

Dit nieuwe, centrum-rechtse kabinet is wat dat betreft wel degelijk een vertolking van de verkiezingsuitslag. Het is niet waar „de kiezer” om vroeg – maar zowat iedere kiezer vroeg dit voorjaar om iets anders. Het nieuwe kabinet is een vertolking van het huidige politieke landschap. Voor iedereen een beetje, voor niemand genoeg, maar gelukkig ook weer niet te veel. Dit wordt een heel Hollands kabinet.