‘Nederlandse cabaretiers zijn te duur’

Discussie in 4 stellingen

Je hoort vaak dat de inkomsten uit cabaret de theaters overeind houden. En dat cabaret toneel en ballet van het podium verdringt. Een discussie met 5 theaterdirecteuren en twee impresario’s.

Met o.a. Herman Finkers, Najib Amhali, Karin Bloemen en Claudia de Breij in de rij. Illustratie Tjarko van der Pol

Het zijn zorgen die in de wereld van toneel en dans vaker te horen zijn. Tegelijkertijd hoor je in de cabaretwereld nog al eens verzuchten dat de ongesubsidieerde cabaretiers de gesubsidieerde toneel-, dans- en operagezelschappen in leven houden. Zij trekken de volle zalen en daarmee de inkomsten waarmee die andere kunstvormen in stand gehouden kunnen worden. Tegelijk is er de zorg dat de ruimte om te spelen vooral voor jonge cabaretiers afneemt.

De vraag of deze zorgen terecht zijn, laat zich lastig beantwoorden, ook omdat schouwburgen zoveel verschillen. Met een verzoek om meer informatie stuurden we vragenlijsten naar theaters en cabaretproducenten (zie inzet). En we nodigden vijf theaterdirecteuren/programmeurs en twee impresario’s uit voor een discussie. Op een vrijdagmiddag in de foyer van de Kleine Komedie legden we ze 4 stellingen voor.

Vooraf is het goed om de cijfers in te kijken van de VSCD (Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties). Die laten zien dat in de aangesloten zalen het aandeel van cabaret al ongeveer tien jaar stabiel (16 tot 17 procent) is. Dat is één op de zes voorstellingen. Daarmee is cabaret niet zo dominant als gedacht.

Reken daarbij dat het totale aantal voorstellingen in de zalen tussen 2006 en 2016 met 8.516 is gedaald (van 36.491 naar 27.975). Voor cabaret zijn dat omgerekend zo’n 1.400 voorstellingen minder, een daling met circa 25 procent.

Een ander relevant cijfer komt van Helga Voets, directeur van impresariaat Bunker Theaterzaken: zij telde het aantal cabaretiers dat in de Nederlandse schouwburgen en theaters optreedt. Sinds 2003 is dat gestegen van 137 naar 255, bijna een verdubbeling dus. Dus meer cabaretiers verdelen samen een kleiner aantal speelavonden.

  1. Er zijn te veel cabaretiers

    Roel Coppelmans, directeur van het Posttheater in Arnhem en stadsprogrammeur cabaret voor het Stadstheater van Arnhem: „Er kunnen nooit te veel cabaretiers zijn. Iedereen die vindt dat hij cabaret moet maken, moet dat als kunstenaar gewoon doen”, zegt hij. Maar ook: „De vraag is of in deze markt de goede cabaretiers komen bovendrijven. Er zijn impresario’s die zelf niet willen selecteren. En die mij pas grote namen aanbieden als ik ook jonge talenten afneem. Het ergste is als ze die grote namen op het laatste moment terugtrekken.”

    Helga Voets, directeur van Bunker Theaterzaken: „Om een programma in de vingers te krijgen en tot wasdom te laten komen, heeft een cabaretier een speelbeurt of veertig nodig. Dat lukt niet met dit aantal cabaretiers. Vroeger was je als je een festival won zeker van een behoorlijke speellijst en zaalbezetting. Dat is niet meer zo.”

    Zelfs cabaretprogrammeurs lukt het niet meer al die cabaretiers te kennen. Steven Peters, programmeur bij Stadsschouwburg in Utrecht: „Ik moet vertrouwen op de impresario’s, zij moeten het filter zijn. Ik zeg gewoon: Jij biedt me 20 cabaretiers aan, ik heb plek voor 4. Overtuig mij maar wie van hen de overstap naar onze schouwburg kan maken.”

    Nico Baars, directeur van het Westland Theater in Naaldwijk: „Als je ziet hoeveel uitnodigingen ik krijg van mensen waar ik nog nooit van heb gehoord… Dan zijn er nog de cabaretiers die ik uitnodig na hun afstuderen. Ook dat zijn er veel. Maar wat is te veel? Mijn maatstaf is dat ik kwaliteit wil bieden.”

  2. De doorstroom van cabaretiers stokt

    Er stroomt alsmaar talent in, maar veel cabaretiers blijven steken in de kleine zalen. Slechts een enkeling stroomt door. Is het tijd dat programmeurs en impresariaten kieskeuriger worden?

    Vivienne Ypma, directeur van De Kleine Komedie: „Al genoeg cabaretiers hebben bewezen dat bij hen de artistieke groei eruit is. Ik begrijp niet dat programmeurs die nog boeken.”

    Dries Floris, directeur van theater de Kattendans in Bergeijk en met zijn eigen impresariaat vertegenwoordiger van onder andere Javier Guzman: „Theaters kunnen niet kieskeurig genoeg zijn. Te veel cabaretiers komen te makkelijk op een groot podium. Dat is anti-reclame voor het cabaret.”

    Nico Baars: „Soms neem ik afscheid van artiesten. Nog wel publiek trekken weegt niet op tegen geen progressie boeken. Dan vind ik het niet meer interessant.”

    Gerard Wolters: „Ik let op wat mijn publiek wil. De cabaretier die niet meer groeit, maar wel een halve zaal vol krijgt, boek ik toch. Wat is erop tegen dat 200 bezoekers plezier hebben als die cabaretier één keer in de twee jaar optreedt?”

    Vivienne Ypma: „Impresariaten zouden strenger moeten zijn. Sommigen gaan met vijf nieuwelingen in zee en zien dan wel of dat wat oplevert. Die doen weinig moeite om echt talent te zoeken. Dan zitten er cabaretiers tussen die niet bij een professioneel podium aangeboden zouden moeten worden.”

    Steven Peters: „Die werkwijze maakt een producent onbetrouwbaar. Te veel cabaretiers worden artistiek niet begeleid. Dan vraag ik me af: Moet dit een nieuwe ster worden?”

    Roel Coppelmans: „Omdat ik over meer zalen beschik, kan ik experimenteren en talent neerzetten. Soms is het echt niet te pruimen, soms is het goed. De goede beveel ik dan aan bij collega’s.”

    Wanneer kan een cabaretier doorstromen naar de grote zaal?

    Vivienne Ypma: „Dat bespreek ik met de impresario, zoals met Helga Voets over De Partizanen en Martijn Koning. Het is belangrijk dat theaters en impresariaten gezamenlijk optrekken.”

    Robert-Jan Veen, manager van impresariaat Hekwerk: „Bij die namen kun je die beslissing makkelijk maken, want zij zijn op televisie. De vraag is of er genoeg publiek is als een cabaretier nog niet op televisie is geweest.”

    Helga Voets: „Televisie-aandacht rendeert niet in alle steden. De Partizanen treden ook regelmatig voor dertig of veertig man op.”

    Gerard Wolters: „Je ziet soms cabaretiers omhoogschieten omdat ze op televisie zijn, maar als je ze in de zaal ziet, weet je dat ze dat geen twee jaar gaan volhouden.”

  3. Illustratie Tjarko van der Pol

  4. Theaters zijn financieel afhankelijk van cabaret

  5. De opbrengsten van cabaret worden niet gebruikt om andere minder populaire genres te financieren, zeggen de theaterdirecteuren. Programmeren lukt überhaupt alleen met (gemeentelijke) subsidie, en subsidie gaat gepaard met de opdracht van de gemeentes om gevarieerd te programmeren.

    Steven Peters: „Wij verdienen niets aan cabaret. We leggen er minder op toe dan bij andere genres. Dat wel. Zelfs als we het hele jaar Jochem Myjer en Youp van ’t Hek op het podium zouden zetten, dekt ons aandeel van de verkoop bij lange na niet de kosten van de schouwburg.”

    Gerard Wolters: „Tussen de 60 en 100 procent van de kaartverkoop gaat naar de artiest. Die is de ondernemer en krijgt de winst. Het theater krijgt de rest, maar kan daarvan niet bestaan. Een volle zaal bij populaire programmering draagt meer bij dan minder goed lopende programmering. Vanzelfsprekend. Maar niet meer dan dat. Een podium kost nu eenmaal geld, zeker een kleiner podium.”

    Dries Floris: „Het is geen geheim dat dans- en toneelvoorstellingen wat moeizamer verkopen dan populaire muziek en cabaret. Daarom reken ik wel eens een kleine toeslag op het cabaretkaartje. Want met cabaret is het zo: zelfs als het publiek het een rotvoorstelling vond, zijn ze aan het eind van de avond tevreden als ze nog een potje bier hebben gedronken. Als ik een toeslag van 5 euro kan rekenen in Uden, met zijn 700 stoelen, dan kan ik na drie avonden Claudia de Breij ook een keer opera boeken.”

    Helga Voets: „Maar Dries, zou je dat geld niet moeten gebruiken om jonger en experimenteler cabaret te brengen?”

    Dries Floris: „Dat doe ik ook. Benjamin van der Velden gaat niet direct veel publiek trekken, maar ik zet hem wel neer.”

    Een andere zorg voor theaterdirecteuren is succesvolle cabaretiers behouden voor hun theater.

    Vivienne Ypma: „Plien en Bianca groeiden door naar DeLaMar, waar meer stoelen zijn en ze meer geld kunnen verdienen. Dat begrijp ik, maar vind ik ook jammer en dat heb ik ze gezegd. Als zij hier vijf dagen staan, kan ik daarvan vijf dagen beginnende Plien en Bianca’s programmeren. De Kleine Komedie kan startende artiesten programmeren dankzij grote namen die nog steeds willen komen spelen aan het begin van hun tournee. Ook al sluiten ze daarna nog af in Carré.”

  6. Cabaretiers zijn te duur

  7. Succesvolle cabaretiers kunnen er goed van leven. Gaat hun winst ten koste van theaters?

    Steven Peters: „Ik maak mee dat een artiest 90 procent van de kaartverkoop eist. Dat doe ik gewoon niet. Maar blijkbaar accepteren andere theaters dat wel, want deze cabaretier staat door heel het land.”

    Robert-Jan Veen: „Het beeld dat cabaretiers te veel verdienen aan gesubsidieerde theaters is scheef. Kijk ook naar wat ze afdragen, aan btw, inkomsten- en vennootschapsbelasting. Ik erger me zelf aan al die toeslagen waarmee theaters de prijs van kaartjes opdrijven. We kunnen best 50 euro vragen voor een kaartje van Jochem of Youp, dan zit de zaal waarschijnlijk ook vol, maar we willen de voorstellingen toegankelijk houden voor een zo breed mogelijk publiek. Inmiddels proberen wij daarom met theaters af te spreken dat die toeslagen er niet achteraf bijkomen. Om dat mogelijk te maken hadden we de verdeling van inkomsten al aangepast en komen we uit op ongeveer eenderde voor het theater en tweederde voor de artiest.”

    Steven Peters: „Ik begrijp niet dat sommige impresario’s een garantiesom vragen voor cabaretiers in de grote zaal. Laten we samen dat risico nemen. In de kleine zaal is het risico groter. Zowel voor de artiest als voor ons is het altijd kiele-kiele.”

    Nico Baars: „Ik programmeer artiesten van wie ik weet dat ze me geld gaan kosten. Op voorhand. Daar komt niet voldoende publiek voor, maar ik vind ze inhoudelijk spannend. Maar die vragen dan ook een bedrag dat het risico aanvaardbaar maakt. En al komen er maar zestig bezoekers: die hebben wel een waanzinnig mooie avond. De twee impresariaten hier aan tafel vragen geen garantiesommen die we niet kunnen opbrengen. Maar ik heb ook te maken met impresariaten die minder bekende cabaretiers voor 5.000 euro per avond op hun prijslijst zetten. Dat verlies kan ik niet lijden op één voorstelling. Als ze vertrouwen hebben in zo’n artiest, moeten ze die prijs verlagen, zodat we ieder een aanvaardbaar risico lopen.”