Recensie

Plechtstatige oorlogsfilm neigt naar nazi-kitsch

Oorlogsdrama

Eerst was er de succesroman, toen een televisie-serie is, en nu is er de overbodige film ‘HhhH – Himmlers hersenen heten Heydrich’.

De aanslagplegers Jan Kubis (Jack O’Connell) en Jozef Gabcik (Jack Reynor) wachten hun kans af in HhhH – The Man with the Iron Heart.

Voor Nederland komt HhhH – The Man with the Iron Heart eigenlijk net iets te laat. De bestseller van Laurent Binet (HhhH – Himmlers hersenen heten Heydrich) vond hier al een groot lezerspubliek. En daar kwam dan nog de zevendelige VPRO-televisieserie overheen, waardoor alles wat in de Frans-Engelse speelfilm van Cédric Jimenez gebeurt de indruk wekt alsof het in de synopsis-fase is blijven steken. Om te beginnen koos Jimenez ervoor om Binets zelfreflexieve, postmoderne ideeënroman terug te brengen tot het verhaal: de aanslag door twee leden van Tsjechoslowaakse leger in ballingschap op nazikopstuk Reinhard Heydrich, de architect van de Holocaust, in 1942 in Praag.

De parallelle geschiedenissen uit het boek zijn tot tweeluik gereduceerd: eerst een lange introductie op Heydrich, dan de perikelen rondom de aanslag, vorig jaar ook al inzet van de Engelse film Anthropoid. De kern van Binets betoog – wat is fictie, kun je met fictie de werkelijkheid wel recht doen, en wat moet je als je niet alle feiten tot je beschikking hebt, wat is het gezicht van het kwaad, en welk geweld dient welke doelen? – is alleen nog door de goede verstaander uit de gebeurtenissen af te leiden. Alsof je door je eigen vragen eigenlijk Binets filosofie weer moet reconstrueren.

Wat rest is een zwaar aangezette, plechtstatige oorlogsfilm die neigt naar nazi-kitsch. Met name in het laatste deel, als de nasleep van de aanslag centraal staat, tendeert alles naar exploitatie. De wraakmissie van de Duitsers door het dorpje Lidice uit te moorden is goed afgekeken van Elem Klimovs bijna surrealistische oorlogshorrorklassieker Come and See (1985). De finale shoot-out in een kerk waarbij de laatste leden van het verzet zich de dood in vochten is opgebouwd als western, inclusief kogelregens in tegenlicht. Wat is toch dat dramatische moment in een creatief maakproces waarop de makers hun greep op zulk interessant bronmateriaal verliezen dat de film zich als een monster tegen z’n scheppers keert? Is dat al in de scenariofase fout gegaan? Het begint al in de eerste beelden, als na een flash forward van de aanslag, de film het laatste restje zonlicht in Heydrichs jeugd laat doven door het trauma van zijn sadistische ouders en de militaire academie. Wil de film werkelijk de weg van de kleinzielige apologie op?

Wie Heydrich werkelijk was – een van die noodzakelijke mannen in de schaduw van de macht, zoals Himmler hem noemde, of de man met het ijzeren hart zoals Hitler in de film wordt geciteerd – is niet de werkelijke interesse van deze film. Voor toeschouwers met voorkennis (van boek en serie) zal dat mogelijkerwijs minder deren: zij vullen immers de missende schakels zelf wel in. Maar daar mag je als filmmaker eigenlijk niet op willen vertrouwen.