Een requiem voor vliegveld Teuge

Voor vliegveld Teuge, dat wellicht verdwijnt, schrijft privévlieger een requiem. Hij kocht er een blokhut. „Elke landing volg ik ademloos.”

Foto Eric Brinkhorst

Airparks, het zijn lommerrijke vliegveldjes in de Verenigde Staten, waar gepensioneerde gezagvoerders en jet-jockeys vanuit hun garage naar de startbaan taxiën om met hun sportvliegtuig de kleinkinderen te bezoeken. In Amerika zijn er tientallen.

Al mijn hele leven wilde ik op zo’n airpark wonen. Ik probeerde het ooit uit, maar de sfeer beviel me er niet. Not as advertised. Het ging veel over kleinkinderen, en weinig over vliegtuigen.

Toen besloot ik iets dergelijks in Nederland te zoeken. Dat werd Teuge, bij Deventer. Ik kocht een blokhut, vrijwel óp het vliegveld. „Midden in het circuit”, zeg ik tegen kenners. Het circuit is het rechthoekige vliegpatroon in de lucht rond een vliegveld van waaruit je de landing inzet.

Want hoe ouwer ik word: ik wil alleen nog maar vliegtuigen. Praten over, kijken naar. Op een plastic stoeltje voor de hangar zitten, en kijken, kijken, kijken. Elke landing volg ik ademloos, als een jurylid bij het kunstrijden. Neuswiel te laag. Driepuntertje. Piepje van de banden. Te vroeg afgevangen. Iets getraverseerd. En dan altijd weer de landing van Harry. Enfin: Harry leert het nooit.

’s Avonds sjok ik naar het cafeetje op het vliegveld, om over vliegtuigen te praten. Niet één avond; nee, allemaal. Praten met Coen die met een Caravelle vloog. Met Piet, die de Gloster Meteor overleefde. Met Bert, die reclamesleepjes trekt – ‘ANNET IK WIL MET JE TROUWEN’ – in zijn kanariegele Piper Cub. Met Erik, die studeert voor KLM-piloot en met Roy, die dat al bijna is. Praten, praten, praten. Over vliegtuigen. Over vliegen. Met Gertjan, die miljonairs rondslingert in zijn business-jet. En met Rob, die vliegreisjes verzorgt met zijn oude Antonov, waar vroeger schapen mee vervoerd werden in Turkmenistan.

We vertellen over de Koude Oorlog

Zelf vliegen, ook. Met onze Yakovlev Yak-52 en onze Cessna O-2. In bezit van het post-bellumgroepje waar ik deel van uitmaak. We vertellen de mensen over de Koude Oorlog, die voorbij is, of eigenlijk misschien ook weer niet. Elke week hebben we wel een groepje: huisvrouwen, pensionado’s, ex-militairen, kleuterklassen.

Over Vietnam vertellen we, waar onze O-2 als verkenner vloog. „De kogelgaten werden gerepareerd met colablikjes”, vertellen we, in commissie. Want dat hebben we gehoord van een Amerikaanse veteraan die ons bezocht. Hij vond het geweldig dat we zijn lieveling helemaal op „Toigee” vliegend hielden.

En toen ik hem vertelde dat ik haar zelf via Canada, Groenland en IJsland hierheen gevlogen had, zei hij alleen maar: „Boy, back in ’Nam she never liked the cold.”

En nu willen ze Teuge sluiten. Want de Boeings van Ryanair moeten laag naar Lelystad kunnen vliegen. En die komen dan té laag, voor zover ik het ingewikkelde verhaal heb begrepen. Het staat in alle kranten en is op tv.

Meiltje, onze directeur, doet haar best: „De banen, mensen, en het economisch belang! Dat begrijpt u toch wel?” Anderen zeggen: „De traumahelikopters vlogen af en aan, toen die gek op Koninginnedag op de menigte in reed. Goed dat we toen een vliegveldje hadden.” Weer anderen vallen terug op de Randstad-aversie, die ik nog uit mijn Twentse jeugd ken. „Die klootzakken uit het westen moeten van ons vliegveldje afblijven. Mijn grootvader ging daar al met de kleinkinderen vliegtuigjes kijken.”

Zelfs de vaste groep klagers is opvallend stil, onder het motto: liever op zondag een Cessna boven je dak, dan de hele week een Boeing.

O ja, en er zijn er ook die zeggen: „Juliana is hier geland, in 1945. Híér op Teuge kwam ze terug, na de oorlog. Samen met de prinsesjes. Dat moet je er zeker bij schrijven”, zeiden ze, toen ik vertelde dat ik dit stukje maken ging.

Er staat trouwens nog een monumentje van. Vorig jaar, toen het werd verplaatst om plek te maken voor een speeltuintje, viel het in stukken uit de torenkraan. Juliana kapot. Teuge kapot. Ach, tóén hadden we het al moeten weten.