Column

Draken

Dit weekend had ik mijn moeder aan de lijn, en zoals dat met moeders gaat die de pensioengerechtigde leeftijd naderen, kon ze niet ophouden over al haar vriendinnen die het ene na het andere kleinkind kregen, alsof die ergens in de aanbieding waren. En hoewel mijn moeder weet dat ik geen kind kan dragen, ondanks het feit dat ze allang oma is, voel ik me dan altijd een beetje schuldig.

Ook mijn lichaam zeurt om vermenigvuldiging. Want mijn kneuzige baarmoeder ten spijt, denkt de rest van mijn lijf nog steeds dat het in staat is zichzelf voort te planten, en nu ik 35 ben, begint ze aan te dringen. Het laatste jaar lijken mijn zintuigen te zijn verscherpt: ik ben gevoeliger voor geur, voor geluid, voor het wrijven van mijn kleren tegen mijn huid. Mijn zus, zelf producent van twee geslaagde zoons, denkt dat mijn lichaam de bel voor de eindronde luidt. Zo van joehoe, de herfst van je eierstokken is ingezet.

In De regels gelden niet (2017) beschrijft Ariel Levy hoe vrouwen tegen voortplanting aankijken, nu we dankzij de medische wetenschap het krijgen van kinderen kunnen uitstellen: „Zodra de vuurspuwende draak van onze vruchtbaarheid verscheen, leerden we om hem aan de ketting te leggen en te vergeten. Vruchtbaarheid zei ons als twintigers niets; het was iets om in een diepe kerker op te sluiten en daar te laten wegrotten. Als jonge dertigers herinnerden we ons het bestaan ervan en vroegen ons af of we niet even moesten gaan kijken, tot het ineens vreselijk dringend was: Waar zit die draak?”

Mijn draak zit al vanaf mijn geboorte in een rolstoel, maar toch zeurt mijn lijf om een kind. Ook al weigert mijn baarmoeder dienst, toch produceren mijn klieren als een malle hormonen. Volgens de dokter kunnen mijn verscherpte zintuigen een laatste stuiptrekking zijn van mijn vruchtbare jaren. De straten lijken ’s nachts licht te geven van lust, door mijn aderen giert een hitsigheid die onbeantwoord blijft, althans: er zal nooit een kind van komen.

Dante schreef in De goddelijke komedie dat hij op zijn 33ste in het midden van het leven stond, en verdwaald raakte in een donker woud. Zo voel ik me af en toe ook. Vanuit de bosjes houden gloeiende ogen me in de gaten. Ogen van mijn omgeving, van de kinderen die ik niet zal hebben. Als ik beter zou kijken, zou ik zien dat het geen ogen zijn, maar lichtgevende wijzerplaatjes. En daarom kijk ik de andere kant op, wachtend tot het lichaam zijn tijd heeft uitgezeten, als een celstraf.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.