De tassen waren duurzaam, maar de onderneming niet

Deze rubriek belicht elke woensdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Deze week: fiscaal recht.

Foto iStock

De fairtrade-tassenlijn was nooit van de grond gekomen. De tassen werden in Indonesië van plastic zwerfafval gemaakt en zouden in Nederland worden verkocht. In het eerste jaar was de verkoopopbrengst 214 euro en het netto resultaat 638 euro negatief. Het jaar daarna klom de opbrengst omhoog naar 1.700 euro en het resultaat naar 78 euro negatief. Het jaar daarop ging de gezondheid van de oprichtster achteruit en kwam er een einde aan haar tassenactiviteiten.

De vrouw had haar inkomsten opgegeven als winst uit onderneming en daarbij aanspraak gemaakt op belastingvoordelen voor ondernemers, zoals de startersaftrek. Maar de Belastingdienst stelde vast dat er slechts sprake was van (negatief) resultaat uit overige werkzaamheden.

De rechtbank Den Haag was evenmin overtuigd en overwoog dat de vrouw niet had aangetoond dat de tassenlijn „een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid is, gericht op het behalen van winst”. Ook miste de rechtbank een onderbouwing van het aantal gewerkte uren, waardoor de vrouw niet aan het urencriterium voldeed van minimaal 1.225 aan het bedrijf bestede uren per jaar.

In hoger beroep voert de vrouw aan dat ze eigen geld erin heeft gestoken en dat ze met behulp van een website en flyers heeft geprobeerd de tassen onder de aandacht te brengen. De tassenlijn bevond zich weliswaar nog in de opstartfase, maar was dus wel degelijk gericht op de lange termijn. Dat ze ziek zou worden had niemand kunnen voorzien.

Maar het Haagse Hof is onverbiddelijk. Er is sprake van een „kortstondige, verlieslatende activiteit van verwaarloosbare omvang”. De vrouw geldt niet als ondernemer.

ECLI:NL:GHDHA:2017:2609