Recensie

De diagnose is helder: pianist Abduraimov kan alles

De jonge Oezbeekse pianist Behzod Abduraimov (26) maakte deze week twee droomdebuten in Amsterdam. Zijn geheim: eigenheid, beheersing en een fluwelen pianissimo.

Foto Nissor Abdourazakov

Aan goede jonge pianisten geen gebrek. Van Beatrice Rana tot Julien Libeer en van Mariam Batsashvili tot Aidan Mikdad; de hoeveelheid talent is overstelpend en de vraag is vooral hoe en wanneer talent overgaat in meesterschap. En als dat gebeurt, hoe dat dan in goede banen moet worden geleid.

In de serie Meesterpianisten debuteerden sinds het eerste seizoen, dertig jaar geleden, talrijke talenten. Van een enkeling vernam je om diverse redenen zelden nog iets écht opzienbarends (Jonathan Gilad, Marc Laforet), anderen maakten een wereldcarrière (Volodos).

De 26-jarige Oezbeek Behzod Abduraimov valt naar alle verwachting in die laatste categorie. Om te beginnen is hij allang geen onbekende meer: de Zesde sonate van Prokofjev waarmee Abduraimov zondagavond in een bont programma indruk maakte, legde hij al vijf jaar geleden op cd vast voor Decca Records. Maar belangrijker dan in het verleden behaalde resultaten: Abduraimov heeft iets onmiskenbaar en onvervreemdbaar eigens, zoals afgelopen week ook het Concertgebouworkest merkte toen hij onder leiding van Valery Gergiev ook dáár debuteerde. En als in het wereldwijd woud van pianotalent iets de doorslag geeft, dan is het dat: eigenheid.

Het gekozen programma was veelzijdig. Abduraimov begon met een vrij vlezige lezing van Bachs Toccata en Fuga BWV 565 in de bewerking van Busoni – zich met grote contrasten tussen paralend klokjesspel en bulderende bassen hoorbaar zeer van de orgelende oorsprong bewust.

Het was een bedrieglijke opening, want Abduraimov is geen pianist van brullend machtsvertoon, integendeel: het waren vooral zijn strelende pianissimi die de ziel in boorden.

Pianistisch is de diagnose helder: Abduraimov kan alles. Maar bijzonder zijn vooral zijn fluwelen klankideaal en de wijze waarop hij al zijn vaardigheden inzet voor rapsodische vertelkracht.

Daarbij bleek ook Liszts slijtvast fascinerende Sonate in b-klein zeer gebaat: roffelende extase dunde Abduraimov moeiteloos uit tot broze akkoorden, polyfonie werd soepel, nergens academisch of drammerig neergezet – alles in dienst van de dramatische vertelling.

De Zesde sonate van Prokofjev klonk markant en welluidend. Het onheilspellend karakter – niet zelden feller aangezet – kwam helder uit de verf, maar via het muzikale betoog, niet via een bijterig toucher.

Ook in de twee toegiften (Bach BWV 596, Schubert D780)bleef Abduraimov trouw aan de hem kenmerkende klankschoonheid, met lichte elegantie in Scbubert, en een innemende afwezigheid van maniertjes.