Cultuur

Interview

Interview

Arjen van der Grijn

Foto Lars van den Brink

‘Werken met Van Kooten en De Bie was één groot cadeau’

Jubileum Van Kooten en De Bie, Jiskefet, Het Sinterklaasjournaal. Arjen van der Grijn is al 50 jaar dé grimeur van Hilversum. „Een feest.”

Hij mist ze nog elke dag, zegt Arjen van der Grijn. „En dan overdrijf ik niet, hè.” Vijfentwintig jaar werkte hij als grimeur voor Van Kooten en De Bie. Hij is er nog altijd trots op. „Wat Kees en Wim deden was subliem. Dat niveau zie je nergens meer.” In het atelier in zijn schuurtje in Grouw bewaart hij ze nog: de snorretjes van Gé en Arie Temmes en de pruik van dr. Clavan. Maar ook de pruiken en snorren van Jiskefet. En de baard van Sinterklaas. Stille getuigen uit de gloriejaren van een halve eeuw grimeurschap. En nu is er ook een boek, waarin honderden van zijn types en vermommingen voor televisie en film zijn vastgelegd. Van Floris en De scheepsjongens van Bontekoe tot De Stratemakeropzeeshow en Het Klokhuis. „Ik was maar een heel klein radertje. Maar als je je eigen bescheiden aandeel mag leveren aan zoiets groots dan maakt dat je wel heel gelukkig.”

Foto uit ‘50 jaar Grijngrime’
Foto uit ‘50 jaar Grijngrime’

Het begon bij zijn vader, „de beste amateurtoneelspeler van Nederland”. „Die kon spelen, jongen. Echt fantastisch.” Hij had graag acteur willen worden. Maar teksten onthouden lukte niet goed. Van der Grijn zag hoe zijn vader geschminkt werd door de kapper uit het dorp. „Die zei: als jij het toneel zo leuk vindt, moet je gewoon grimeur worden.” En dus meldde hij zich als jongen van zeventien bij de firma Michels in Amsterdam. „Zij hadden dertig grimeurs in dienst, deden alle grote toneelgezelschappen van Nederland. En veel televisie en bijna alle films.” Maar het ging zomaar niet. Hij diende een kappersopleiding te volgen. Logisch, weet hij nu. „Je moet alle stijlen kunnen kappen, een snor kunnen maken en een pruik kunnen knippen.” Hij volgde een spoedopleiding tot kapper en mocht in 1967 bij Michels beginnen. Na een paar maanden in het atelier kon hij als leerling-grimeur ’s avonds mee naar De Nederlandse Opera (nu De Nationale Opera). Hij mocht toen alleen de achterste rijen van het koor schminken. „Die zag je toch bijna niet. Maar ik ben ze dankbaar dat ik op ze mocht oefenen.”

Michiel Romeyn als ‘Oboema’ Foto uit ‘50 jaar Grijngrime’

Foto uit ’50 jaar Grijngrime’
Kees Prins als Keith Richards Foto uit ‘50 jaar Grijngrime’

Foto uit ’50 jaar Grijngrime’

De kunst afkijken bij Rembrandt

Overdag zat Van der Grijn urenlang in het Rijksmuseum te kijken naar de portretten van Rembrandt, om te bestuderen hoe de oude meester met licht en schaduw werkte. „Bij hem zag je precies waar je je schmink moet neerleggen. Alleen al de lichtval op de neus; als je de boog van de neus lichter schminkt en de zijkanten donkerder, lijkt-ie opeens groter.”

In 1969 mocht hij als jongste bediende mee naar de opnames van Floris, om figuranten te schminken. Maar zijn toptijd brak pas echt aan toen hij begin jaren zeventig in contact kwam met Van Kooten & De Bie. Ze klopten aan omdat ze een snorretje wilden lenen. „Eigenlijk was dat niet gebruikelijk, want in een mooie snor zit al gauw een dag werk. Maar ik dacht: dat zijn die leuke jongens van Uitlaat en Hadimassa. Als ze er voorzichtig mee doen, mogen ze van mij best een snor mee.” Hij begint van oor tot oor te stralen. „Het werd het begin van een vijfentwintig jaar durend feest.” Van der Grijn maakte tussen 1973 en 1998 ontelbare types voor het duo. Althans: zij gaven aan wat ze wilden spelen, en hij zorgde ervoor dat het werkelijk types werden. Er gold één gouden regel: ze moesten écht zijn. „Je moest ze op de hoek van de straat tegen kunnen komen.”

Jet en Koosje Veenendaal uit Keek op de week Foto uit ‘50 jaar Grijngrime’

Foto uit ’50 jaar Grijngrime’
Foto uit ‘50 jaar Grijngrime’
Kasper van Kooten en Martine Sandifort in ‘Toscane’ Foto uit ‘50 jaar Grijngrime’

Foto uit ’50 jaar Grijngrime’

Veel van de types werden voor de spiegel geboren. Neem buitenlandspecialist dr. Clavan. „Er zat zo’n man bij de EO: drs. Aad Kamsteeg. Die had Kees voor ogen. Ik had een stekelachtige pruik gemaakt. Toen ik bezig was kreeg ik opeens de ingeving om Kees’ oren een beetje naar voren te zetten. En terwijl Kees naar zichzelf keek, begon hij ook direct als dr. Clavan te praten, met dat mummelmondje. Ik zag hem echt voor de spiegel geboren worden. Dat is toch mágisch…” De PvdA-politicus Thijs Wöltgens was daarentegen echt een enorm ingewikkelde klus, zegt Van der Grijn. „Die had zo’n kolossaal hoofd met die onderkin. Terwijl

De Vieze Man. Foto uit ’50 jaar Grijngrime’

Kees juist een heel smal koppie heeft. Gelukkig had Wöltgens een baard. Ik heb zo’n baard gemaakt met daaronder een heleboel lucht. Daardoor ontstond die onderkin. Kees’ hoofd heb ik groter gemaakt met een kaalkop (een soort badmuts van siliconenrubber) die ik opvulde met watten. Toupetje eroverheen en hup… daar had je Thijs Wöltgens. En Kees is natuurlijk een ongelofelijk goede acteur. Die kon ’m direct spelen.” Dat was het mooie aan Van Kooten en De Bie: hij hoefde als grimeur vaak maar heel weinig toe te voegen. „Die prachtige Duitse leraar die Wim speelde, heb ik alleen maar een bril en een klein baardje gegeven.” Dirk de zwerver was aanzienlijk gecompliceerder. Ze hadden een zwerver als voorbeeld, die altijd in de omgeving van Bussum rondhing. Van der Grijn maakte van schuimrubber een „dikmaak-pak”. Een te grote broek en een stoppelbaard moesten de rest doen. En toch was Dirk toen nog steeds niet af. „Ik zei tegen Wim: en als jij nou ’ns je gebit uitdoet… dan praat hij ook anders. Zo werd Dirk geboren.” Maar meestal zat het in kleine dingen. Voor De Vieze Man maakte hij dat kleine maar bijzonder onsmakelijke wondje bij diens lip. „Echt heel smerig.” Diezelfde Vieze Man zat soms in een scène het eelt van zijn voet te eten. Maar ja, hoe maak je nou eetbaar eelt? Daarvoor had Van der Grijn een truc met kauwgum bedacht. Dat moest dan wel eerst thuis uitgeprobeerd worden. Zat hij ’s avonds in de badkamer op de badrand te testen of hij dat spul van zijn voet kon eten, kwam zijn vrouw opeens binnen. „Ze keek me werkelijk vol walging aan: gadverdámme… nooit geweten dat jij zo’n smerig ventje bent.”

Keihard werken

Het was wel keihard werken. Vooral de tijd van Keek op de week was topsport. Op dinsdag en woensdag schreven Van Kooten en De Bie hun scènes, op donderdag kreeg Van der Grijn steekwoorden door en op vrijdag, zaterdag en zondag werd er gedraaid. „De vaste types had ik paraat, de rest moest snel bedacht en gemaakt worden. Ik ben gelukkig gewend om goed naar mensen te kijken. Dat sla ik allemaal op. Bij Moeder en Zoon wist ik meteen dat die moeder Bussums chique in een plooirok moest zijn. En voor Thea Ternauw had ik mijn eigen tante Rietje in gedachten.”

Ralph en Thea Ternauw uit Van Kooten en De Bie Foto uit ’50 jaar Grijngrime’. Foto uit ’50 jaar Grijngrime’

Hij deed naast Van Kooten en De Bie volop andere dingen. Zo was Van der Grijn achttien jaar verbonden aan Jiskefet. „Dat was voor mij echt jongensland. Zo ontzettend leuk.” De Dierenwinkel vond hij zelf het mooist, hoe simpel die qua grime ook was. „Herman [Koch] had een gebitje in, dat ik had laten maken bij een bevriende tandarts. Kees [Prins] was steeds een passant. En Michiel [Romeyn] speelde eigenlijk zijn eigen vader. Een prachtig absurdistisch geheel.” Het meest buitenissige wat hij voor Jiskefet maakte was De Doos van Tante Poes. Op een foto in het boek blijkt welke ‘doos’ hier bedoeld wordt: Michiel Romeyn is vermomd als hoerenmadam met een weelderig overwoekerde vagina. Nee, hij gaat niet zeggen wie daarvoor model gezeten heeft. Alleen dat hij die vagina gemodelleerd had in een luier. „Michiel kon ’m zo aantrekken.”

Kees Prins, Herman Koch en Michiel Romeyn in ‘De dierenwinkel’ in Jiskefet Foto uit ‘50 jaar Grijngrime’. Foto uit ’50 jaar Grijngrime’

De komende weken is Van der Grijn elke dag druk met Sinterklaas voor de opnames van Het Sinterklaasjournaal. Een hoogst bewerkelijk klusje. „Die slagen in die baard gaan er niet vanzelf in. Ik leg ze erin met een onduleertang.” De Pieten schminkt hij niet. „Je kunt niet met je zwarte handen daarna aan die witte baard zitten.” Gelukkig maar, want dan hoeft hij daar tenminste ook niets over te zeggen. Hij doet het nog altijd met plezier. „Dit werk heeft mij zoveel gebracht. Moet je nagaan dat ik als eenvoudige boerenlul uit Stolwijk 25 jaar met Van Kooten en De Bie mocht werken! Daar heb ik zoveel aan te danken. Het was één groot cadeau. Door hen ben ik scherper naar de wereld gaan kijken, en naar de taal. Dat is geen werk meer, dat is hóbby.”

50 jaar GrijnGrime verschijnt volgende week bij uitgeverij Louise, 232 blz. € 24,50
Lees ook het interview met Kees van Kooten en Wim de Bie. Niemand kent ons meer, zeggen ze. Ze zijn al achttien jaar niet meer op televisie. „En dat moeten we ook niet meer willen.”