Schilderen met Vanish Oxi Action

Koninklijke Prijs 2017 De Koninklijke Prijs voor de Vrije Schilderkunst geeft ieder jaar een mooie stand van zaken van de schilderkunst.

Koning WillemAlexander en Vera Gulikers tijdens de uitreiking van de Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst 2017. Foto JERRY LAMPEN/ ANP

Het heeft iets grappigs, om de koning te zien poseren voor een schilderij met de titel Poetsdoek. De maakster van het werk, Vera Gulikers, is een van de vier jonge kunstenaars die vrijdag een Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst uitgereikt kregen van Koning Willem-Alexander. Ook Niek Hendrix, Janine van Oene en Suzie van Staaveren ontvingen zo’n aanmoedigingsprijs van 6.500 euro. Hun werken worden, samen met de twintig andere schilderijen die de shortlist haalden, een maand lang geëxposeerd in het Koninklijk Paleis in Amsterdam.

Terwijl ze samen voor het grote witte schilderij staan, met aan de rand nog wat groene en rode vegen, legt Gulikers aan de majesteit uit hoe ze Poetsdoek gemaakt heeft. Eerst bracht ze eitempera aan op het doek, daarna probeerde ze de verf met een mop en Vanish Oxi Action weer uit te vegen. Gulikers ziet een gelijkenis tussen het schilderen en het huishouden. Het afnemen van een tafel of het dweilen van een vloer, zegt ze, is ook een soort schildergebaar. Willem-Alexander knikt geïnteresseerd. „Hij grapte dat je met Vanish toch niet alle vlekken eruit krijgt”, vertelt Gulikers zodra de koning uit het zicht is.

De Koninklijke Prijzen, die al sinds 1871 worden uitgeloofd aan kunstenaars tot 35 jaar, vormen ieder jaar een mooie stand van zaken in de schilderkunst. Deze editie, waarvoor 302 kunstenaars inzonden, valt op vanwege zijn nogal brave, huiselijke karakter. Tessa Chaplin schilderde een decoratief wandkleed dat je gerust als een soort Perzisch tapijt op de vloer zou kunnen leggen. Rosa Johanna’s wiebelig geschilderde blokjespatroon ziet eruit als een ongestreken tafelkleed.

Sommige kunstwerken lijken rechtstreeks uit interieurs van huizen gebikt. Het okerkleurige tegeltableau van Rabi Koria doet denken aan een Oost-Duitse tegelkachel, inclusief een beroet venster. Lilian Kreutzberger maakte met gips en houten latjes een soort gemarmerde schoorsteenmantel, die als een kubistisch schilderij in stukjes is geknipt. En prijswinnaar Suzie van Staaveren bouwde haar ‘schilderijen’ op uit felgekleurde platen staal die lijken op retro bijzettafeltjes.

Door al dat ambachtelijke geknutsel heeft de Koninklijke Prijs dit jaar soms wat weg van een bouwmarkt. Natuurlijk zijn er nog steeds schilders die met acryl of olieverf werken, maar ook banalere materialen als latex, plamuur, spuitverf en gips doen het goed. Het meest gewaagd is Ricardo van Eyk, die een spaanplaat doormidden heeft gezaagd en de naad weer dicht kitte – alsof hij nog middenin de verbouwing zit.

Volgens juryvoorzitter Benno Tempel zoeken de jonge kunstenaars naar houvast, in deze tijd van verharding en polarisatie. „Abstractie heeft afgedaan”, schrijft hij in zijn juryrapport. „Alsof de onzekere werkelijkheid geen ruimte laat voor voorstellingen zonder representatie. Figuratie is alomtegenwoordig.”

Het meest uitgesproken zijn de hyperrealistische werken van prijswinnaar Niek Hendrix, die twee gipsen afgietsels van een gebit naschilderde – zo groot dat de monden op grotten lijken. Afgezien van het technische vernuft, roepen deze werken bewondering op vanwege hun inhoudelijke gelaagdheid. Hendrix speelt met betekenissen, eigent zich werken van anderen toe – kunstwerken, maar dus ook zoiets persoonlijks als een gebit. Door ze in zwart-wit te reproduceren, maakt hij ze tot zijn artistieke eigendom. Dat getuigt van lef, en voor die brutaliteit verdient hij een koninklijk klopje op de schouder.