Commentaar

Pas op met geloof in de zelfredzame burger

Het concept van de zelfredzame burger is te vaak een alibi voor politici om te bezuinigen op overheidstaken. Of om taken van de centrale overheid over te hevelen naar provincies en gemeenten. Zonder de bijbehorende fondsen. Kind van de rekening zijn burgers, vaak ook juist kinderen, die bij nader inzien niet zo zelfredzaam zijn als ze in Haagse rekenmodellen worden voorgespiegeld. De Nationale Ombudsman waarschuwde maandag in NRC, daags voor de presentatie van een nieuw regeerakkoord, voor de „illusie van zelfredzaamheid”.

Zelfredzaamheid functioneert binnen de zogenoemde participatiesamenleving. Een fraai woord, met allerlei positieve bijbetekenissen, dat in werkelijkheid de bedoeling heeft om de arrangementen van de verzorgingsstaat te versoberen. Een streven dat op zich te billijken is.

Het was een leidende beginsel onder het nu bijna definitief voorbije kabinet Rutte-II. Maar het opmerkelijke is dat dit beginsel al dateert uit Lubberiaanse tijden: Elco Brinkman (CDA) stoeide al midden jaren tachtig met de zorgzame samenleving, die op hetzelfde neerkwam. Daarna volgde Wim Kok (PvdA) begin jaren negentig met de participatiesamenleving. En het was Jan-Peter Balkenende (CDA) die het idee rond 2005 opnieuw afstofte: nu was het de participatiemaatschappij. Leidende gedachte is steeds dat de overheid taken moet afstoten en moet overlaten aan bijvoorbeeld informele netwerken, zoals familie, buurten en vrijwilligers. Politiek filosoof Govert Buijs waarschuwde al een paar jaar geleden dat al die betrokken burgers in die zorgzame samenleving misschien helemaal niet bestaan. Hij sprak van een „burgerschapsbubbel” .

Het betoog van de Ombudsman komt erop neer dat veel mensen met hun problemen uit het zicht zijn geraakt van politici. In plaats van uitgangspunt van politiek handelen, zijn zij vaak verworden tot variabelen in een systeem van beleidsplanning. Hiervoor bestaan ook al heel lang termen, van ‘bureaucratie’ tot ‘Paarse Krokodil’. Maar resultaat is dat burgers zich afkeren van het politiek systeem.

Daarbij kunnen politici overigens met de beste bedoelingen door hun geloof in „de heilzame werking van systeem en organisatie”, zoals de Ombudsman zei, besluiten nemen die echter voor kwetsbare burgers totaal verkeerd uitvallen.

De ironie wil bovendien dat juist door het politieke geloof in systemen, mensen die eigenlijk zelfredzaam zijn, ineens afhankelijk kunnen worden van hulp van anderen. Sprekend voorbeeld: de digitalisering bij de Belastingdienst. Veel mensen die nog wel aangifte konden doen met een formulier, kunnen dat niet zelf met een computer.

Dat alles zou op zich niet ernstig hoeven zijn als de mensen die de regels bedenken, bereid zouden zijn te leren van fouten. En die dus te corrigeren. Maar om van fouten te leren, moet eerst worden erkend dat er fouten zijn gemaakt. Het is de vraag de overheid voldoende lerend vermogen heeft. De Nationale ombudsman is niet de eerste instantie die politici waarschuwt voor het blinde geloof in systemen gebaseerd op zelfredzaamheid en participatie.

Het was het noodlot van Cassandra, de blinde zieneres (een klassieke combinatie) die de vernietiging van Troje voorspelde, dat niemand naar haar wilde luisteren. Hopelijk slaat het nieuwe kabinet, en anders de fracties van de verse coalitie in de Tweede Kamer, wél acht op de waarschuwingen van de Nationale Ombudsman. Verlies, bij alle beleidsijver, niet het zicht op de mensen waar het eigenlijk om ging.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.