Interview

Homo’s op de vlucht voor Kadyrov

Drie Tsjetsjeense vluchtelingen

Homo’s zijn vogelvrij in de Russische deelrepubliek Tsjetsjenië. Ze worden daar verraden, opgejaagd en duiken onder. Drie vluchtelingen doen hun verhaal. Eén van hen is doodsbang uitgezet te worden.

Foto Olivier Middendorp

Vroeger was H. goed in talen, tegenwoordig ontschieten hem zelfs de eenvoudigste Russische woorden. De keren dat hij in elkaar is geslagen door veiligheidsmensen van de beruchte Tsjetsjeense leider Ramzan Kadyrov, hebben hun tol geëist. Hij slaapt slecht, heeft nachtmerries en lijdt aan geheugenverlies. Dat hij zich sommige details van de gebeurtenissen van het afgelopen jaar niet meer goed voor de geest kan halen, was een probleem tijdens de gesprekken met de IND. Toch kreeg hij onlangs tot zijn grote opluchting een verblijfsvergunning voor vijf jaar.

De 31-jarige H. vluchtte vorig jaar uit Tsjetsjenië, samen met een vriend. Beide jongens zijn homoseksueel, een doodzonde in de Russische deelrepubliek, waar zogeheten Kadyrovtsy – Kadyrovs paramilitaire inlichtingendiensten – een schrikbewind voeren.

In april berichtte de Russische journalist Elena Milasjina van de onafhankelijke krant Novaja Gazeta over een golf van arrestaties van homomannen. Die zouden massaal worden opgepakt en naar geheime detentiecentra worden gebracht, waar ze werden opgesloten en gemarteld – in zo’n tien gevallen met de dood tot gevolg. Ook werden familieleden van homo’s aangespoord eerwraak te plegen.

Bedreigingen

Daarop begonnen mensenrechtenorganisaties met de evacuatie van tientallen Tsjetsjeense homo’s. In reactie op de onthullingen ontving Novaja Gazeta bedreigingen van Tsjetsjeense autoriteiten; Milasjina moest onderduiken.

Kadyrov ontkende de berichten. „Zulke mensen hebben wij niet. Wij hebben geen homo’s, en al ze er zijn, neem ze dan maar mee naar Canada”, verwees hij naar het land dat tot nog toe veel gevluchte homo’s opnam. De Russische overheid beloofde een onderzoek, maar daarvan kwam tot nog toe weinig terecht.

Zie hier het interview waarin Kadyrov de berichten ontkent:

Volgens mensenrechtenorganisaties gaan de vervolgingen in Tsjetsjenië ondertussen gewoon door, en worden ook familieleden van homo’s het slachtoffer van intimidatie door de inlichtingendiensten. Om het lot van de slachtoffers te maskeren, verspreiden de autoriteiten soms het bericht dat ze zich hebben aangesloten bij IS in Syrië.

De afgelopen maanden deden verschillende gevluchte homo’s hun verhaal in media. Na lang beraad besloten ook H. en A. hun verhaal te vertellen. Nu Nederland hun asiel heeft gegeven, willen de twee aandacht voor homo rechten in Tsjetsjenië. Daarnaast sprak NRC met een derde Tsjetsjeense asielzoeker, die nog in de procedure zit en van de IND onlangs een voorlopige afwijzing ontving.

Nachtmerries

H. zit in de kantine van een COC-kantoor in het oosten van het land, waar zijn Nederlandse vriend werkt. Ze kennen elkaar nu een half jaar, een periode waarin H. langzaam tot zichzelf is gekomen. Hij is rustiger nu hij weet dat hij in Nederland mag blijven, maar altijd op zijn hoede. „Nog steeds heeft hij veel nachtmerries”, vertelt zijn vriend. H. leert Nederlands en zijn vriend heeft wat woordjes Russisch opgepikt, verder communiceren ze via Google Translate.

H.’s problemen begonnen in 2011. Hij had een succesvolle onderneming in de Tsjetsjeense hoofdstad Grozny, waar op een dag een jongen binnenliep. Ze wisselden wat woorden, daarna kwam de jongen iedere dag. H. was op zijn hoede, maar gaandeweg begon hij de jongen te vertrouwen en na een paar maanden stemde hij toe in een afspraakje. De volgende dag was de jongen verdwenen, een week later stonden er vijf politiemannen in burger in de zaak. Ze namen H. mee voor ‘een gesprek’in een gebouw waar hij werd ondervraagd, vernederd en in elkaar geslagen. „Ze noemden me een ‘flikker’, zeiden dat ze alles van me wisten.”

H. ontkende, maar daarop kwam de jongen de kamer binnen en gaf hem een klap in zijn gezicht. „Toen wist ik dat ik was verraden.” De jongen bleek een verklikker, het afspraakje was gefilmd. De mannen zeiden dat H. moest betalen, 50.000 roebel per maand (toen 1.000 euro), anders zouden ze de video verspreiden en zijn familie te schande maken.

Het was het begin van jarenlange terreur. H. begon als een gek te werken. Hij opende nog twee winkels, alles om maar meer geld bij elkaar te krijgen. „Met de feestdagen eisten ze meer, een keer zelfs 100.000 [roebel]. Ik betaalde, dacht niet aan mezelf maar aan mijn ouders.” Van wanhoop begon hij te drinken, zoveel dat hij op een gegeven moment niet meer kon werken. „Bekenden en collega’s zagen dat er iets mis was, niemand wist wat, niemand zou me hebben geholpen.” Afspraakjes maakte hij niet meer.

Toen de mannen steeds meer geld eisten, besloot H. in 2015 naar Moskou te vluchten. Hij vond er werk, maar na een paar maanden werd hij ook daar gevonden. „Op een avond kwam een groepje mannen met een Kaukasisch uiterlijk de zaak binnen. Ik dacht er niks van, maar de volgende dag kwamen ze weer”. Ze gaven hem een mobieltje. Aan de andere kant van de lijn hoorde H. een bekende stem: ‘Dacht je dat je aan ons kon ontkomen?’. Weer moest hij betalen, en ook zijn achterstand inhalen. „Ik werd geslagen, ze haalden de kassa leeg en namen mijn telefoon mee.”

Na die avond wist H. dat een vlucht naar het buitenland de enige manier was om aan zijn belagers te ontkomen. Hij dook onder, ging ’s nachts werken, en spaarde voor zijn vlucht. Het enige dat ontbrak was een internationaal paspoort, waarvoor hij terug moest naar Tsjetsjenië. Een gevaarlijke onderneming. Terug in Grozny ontmoette hij A. die ook in de problemen bleek te zitten.

De 29-jarige A. doet zijn verhaal op het Amsterdamse kantoor van Amnesty International, tegenover het homomonument.

‘Ik weet wie je bent’

A. wist als kind al dat hij meisjes maar niets vond. Als puber rees bij hem het vermoeden dat hij er misschien wel ‘zo eentje’ was: een homo. Hij verborg zijn gevoelens angstvallig, maakte meisjes het hof om niet op te vallen. Pas in 2012 durfde hij voor het eerst een afspraakje te maken, met een jongen in een buurrepubliek. Die vertelde dat ook in Tsjetsjenië homo’s zijn, dat hij via sociale media met hen in contact kon komen. Maar bij zijn tweede afspraakje was het meteen raak: de jongen bleek een verklikker. „Het was een jongen die zelf werd gedwongen homo’s te verraden. Zo doen ze dat bij ons, ze pakken je op en geven je de keuze: of je betaalt, of je werkt mee om anderen te chanteren.”

Zo liep ook A. in de val van de Tsjetsjeense politie, die een enorm bedrag aan zwijggeld eiste. A. had in Grozny weliswaar een goedbetaalde baan en een mooie auto, maar zoveel geld had hij niet. Hij vluchtte.

Niet lang daarna kwam er een in Tsjetsjenië bekende officier van de inlichtingendienst bij zijn ouders. „Mijn moeder belde dat ik naar huis moest komen. Ze gaf de man de hoorn die zei: ‘Ik weet wie je bent, ik ken je vrienden’.”

A., in tranen van angst, weigerde te komen. ‘Waarom huil je als je niets hebt gedaan?’, beet de officier hem toe. ‘Je weet wie ik ben en welke connecties ik heb. Het is beter dat je uit eigen beweging komt’. In zijn plaats namen ze zijn broer mee naar het bureau, maar A. kwam niet. Nu zijn familie wist van zijn geaardheid, kon hij zeker niet meer terug. Via via hoorde hij dat enkele van zijn verwanten hem wilden ombrengen. Wanneer de familienaam te schande wordt gemaakt kan deze slechts door eerwraak worden gezuiverd. Zo kwam A. dubbel in gevaar. „Een van mijn ooms zwoer mij te vermoorden, ook al was ons contact altijd goed.”

In hun zoektocht naar A. spoorden de Tsjetsjeense agenten, die wisten dat de twee jongens elkaar kenden, H. in Moskou op. Hij vertelt: „Drie mannen stonden ineens voor me. Ze sloegen me in elkaar, doorzochten mijn woning. Ze zeiden: ‘We weten dat A. contact met je heeft, jij weet waar hij is’.” Ze lieten hem voor dood achter, de buren belden een ambulance. Sindsdien heeft H. problemen met zijn geheugen.

Uiteindelijk wist A. zijn vriend in Moskou te bereiken. Samen maakten de jongens een vluchtplan: vanuit Moskou vlogen ze naar Turkije – visumvrij voor Russen. Daar boekten ze een transitvlucht via Amsterdam naar Moskou. Op Schiphol vroegen ze asiel aan.

Nu A.’s geaardheid bekend is, heeft hij elk contact met zijn familie verbroken, bang als hij is dat ook zij door hem in de problemen komen. Ook is het gerucht verspreid dat hij naar IS in Syrië is gegaan. Wanneer zijn familie ter sprake komt, komen tranen in zijn ogen. „Wat heb ik gedaan? Er is in mijn leven geen dag geweest dat ik me een volwaardig mens voelde.”

Opdracht tot moord

Hoe ernstig hun beproevingen ook, de twee jongens zijn in veiligheid. Slechter ziet het eruit voor een derde Tsjetsjeense homo die in Nederland verblijft en ook pas na lang aarzelen toestemde in een gesprek. NRC sprak hem op een station ergens in Nederland.

De man leidde meer dan tien jaar lang een dubbelleven. Zoals veel lhbt in Tsjetsjenië trouwde hij om zijn geaardheid te verbergen – een huwelijk vormt de enige bescherming tegen verdenkingen van de omgeving. Ze kregen kinderen, zijn gevoelens voor mannen hield hij strikt geheim. „Ik heb enorm geboft met mijn echtgenote, we bleken goed met elkaar overweg te kunnen.”

Overdag had hij een drukke baan, was hij echtgenoot, vader. ’s Nachts had hij afspraakjes met mannen. „Dan ging ik gewoon weg. Tsjetsjeense mannen kunnen doen wat ze willen, vrouwen stellen geen vragen.”

Tot ook hij enkele jaren geleden in de val liep van de Tsjetsjeense veiligheidsdiensten. Daarna begonnen de bedreigingen, afpersing en mishandelingen. Al die tijd hield hij de situatie voor zijn gezin verborgen, tot familieleden zijn geaardheid ontdekten en zijn broers opdracht gaven hem te vermoorden. Hij besloot te vluchten.

De nacht voor zijn vlucht biechtte hij zijn vrouw alles op. „Ze zei dat ze nooit iets had vermoed.” De man kwam in Nederland terecht. Maar in tegenstelling tot H. en A. ontving hij van de IND een voorlopig voornemen tot afwijzing. De IND stelt in zijn besluit dat ‘betrokkene er niet in is geslaagd zijn proces van bewustwording en zelfacceptatie’ als homo aannemelijk te maken. Ook zou hij tegenstrijdige verklaringen hebben gegeven. De man is ten einde raad, doodsbang dat hij teruggestuurd zal worden.

Zijn advocaat, Any-Marieke Eleveld uit Groningen, noemt de beslissing van de IND onbegrijpelijk. „De IND verwacht dat mensen worstelen met hun homoseksualiteit, dat is niet altijd het geval. Deze meneer kon met [zijn geaardheid] leven. Dan vindt de IND je homoseksualiteit niet overtuigend.” Eleveld heeft beroep aangetekend en aanvullend bewijs over zijn geaardheid ingediend, waaronder verklaringen van homo’s die hem kennen.

Ook de organisatie LGBT Asylum Support, die de man in zijn asieltraject bijstaat, doet er alles aan om hem in Nederland te houden. De organisatie is kritisch op het feit dat de IND de specifieke culturele achtergrond van asielzoekers uit Tsjetsjenië niet meeneemt in haar onderzoek.

Sinds de IND-brief is haar cliënt in staat van paniek, denkt hij dagelijks aan zelfmoord. Bij uitzetting zal hij de daad bij het woord voegen, zegt hij in tranen. „Het enige wat er dan nog op zit, is er een einde aan te maken. Ik kán mijn gezin niet in gevaar brengen”.