Recensie

Filmische Bruckner Vijf in Rotterdam

Klassiek

Met één grote spanningsboog van zo’n tachtig minuten had de concertervaring van de uitvoering van Bruckner door het Rotterdams Philharmonisch Orkest iets weg van een bioscoopbezoek.

Jaap van Zweden kent Bruckner als zijn broekzak. Als concertmeester van het Concertgebouworkest maakte hij zich diens symfonieën eigen onder Bruckner-specialist Bernard Haitink, en als chef van het Radio Filharmonisch zette hij ze nog niet zo lang geleden alle negen op plaat. Bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest lag dit weekend Bruckners Vijfde op de pult, in een programma zonder opwarmertjes of pauze.

Frappant: met één grote spanningsboog van zo’n tachtig minuten had de concertervaring iets weg van een bioscoopbezoek. Bruckner monteert pizzicato-gesluip en schallende koperfanfares door elkaar als contrasterende plots, componeert thema’s uit als scènes, en leidt de finale in met flashbacks naar de voorgaande delen.

Van Zweden bleek de gedroomde dirigent-regisseur, die gevoel voor epiek en drama vermengde met een tikje testosteron. Getuige de hanige sprong waarmee hij in het eerste deel de doorwerking inleidde, of de gedurfde vertragingen en versnellingen in het Scherzo. Elders overheerste zijn subtiele gevoel voor belichting. Neem de fuga’s in de finale, waar de spotten steeds op de thema-inzetten waren gericht, met een soft focusfilter voor de tegenstemmen. Contrapunt in clair-obscur. De dirigent als cameraman.

De kopergroep imponeerde met stevige, warm glanzende sonoriteiten, al vormde de strijkerssectie het eigenlijke fundament onder Van Zwedens interpretatie. Als violist weet hij als geen ander hoe je een baaierd aan pluknuances en vibrato’s uit een orkest peurt.