Column

Als we állemaal naar de oppositie verlangen

Vertrouwen in de toekomst moet je nooit overdrijven. Het zou kunnen dat Nederland vanavond niet met 7-0 van Zweden wint. Het zou kunnen dat je door hogere lerarensalarissen geen beter onderwijs krijgt. Het zou zelfs kunnen dat het land niet in katzwijm valt als vandaag het regeerakkoord van Rutte III wordt gepresenteerd.

Volgens het motto wil Rutte III niettemin Vertrouwen in de toekomst uitstralen, het ergste cliché sinds Keuzes voor de toekomst (1994, Paars I), maar wat geeft het: ze moeten iets op zo’n kaft zetten.

Feit is dat alle coalities, welk vertrouwen ze ook willen verspreiden, vanaf dag één in het defensief zitten. Vandaag zal dit niet anders zijn. De Kamer telt vier coalitie- en negen oppositiepartijen. Na de presentatie van het regeerakkoord gunnen media terecht alle partijen het woord, en zo staat de coalitie meteen op ruime achterstand: negen-vier.

Daar klopt natuurlijk niets van.

Als je een goede timmerman nodig hebt, neem je niet iemand die zégt dat hij spijkers met koppen kan slaan: je neemt iemand van wie je verwacht dat hij spijkers met koppen slaat. Reclame en aspiraties worden hier dus op één hoop gegooid – in het voordeel van politici die alleen praten, in het nadeel van degenen die ook iets willen dóen.

Maar we leven in een tijd waarin de oppositiecultuur floreert. Niet het nieuws is nog beeldbepalend, dat zijn de reacties op het nieuws. In discussies scoort vooral verzet. Verzet tegen de ander, de ander verdacht maken, de ander aanvallen op zijn andersheid: zo worden debatten gevoerd en gewonnen. Tegen de ander zijn om het gesprek over de eigen identiteit te voorkomen.

De gevolgen voor onze politiek zijn groot. Alle partijen die het deze eeuw waagden als junior-coalitiepartner mee te regeren, werden bij de volgende verkiezingen afgestraft. In deze formatie zagen we wat dit uiteindelijk oplevert: verreweg de meeste partijen gingen tot het uiterste om niet met Rutte te hoeven regeren. Liever oppositie.

En de drie partijleiders die er tenslotte niet onderuit konden – Buma, Pechtold en Segers – kiezen ervoor, bleek maandagavond, in de Kamer te blijven. Zij willen daar het ‘eigen verhaal’ van hun partij ‘vertellen’. De werkelijkheid is: zij willen vooral geregeld een tegengeluid laten horen, zodat ze het contact met het oppositiegevoel niet verliezen.

En zo krijgen wij een kabinet waarvan zelfs de medestanders afstand houden: een kabinet als product van een nationaal verlangen naar oppositie. Van de onuitgesproken behoefte om even niet meer te hoeven definiëren wie we eigenlijk zijn.

Tom-Jan Meeus (t.meeus@nrc.nl; @tomjanmeeus) schrijft op deze plek een wisselcolumn met Jutta Chorus.