Cultuur

Interview

Interview

Foto Merlijn Doomernik

‘Mijn gebrekkige Nederlands compenseerde ik met kracht en inzet’

BrandweerMostapha Nazih (49) is districtscommandant bij de brandweer. Op zijn 21ste reisde hij vanuit Marokko naar het noorden van Europa. In Nederland bleef hij hangen. „Ik bleef doorlopen, ook toen de grond onder m’n voeten zacht was.”

De brandweerkazerne in Amsterdam-West. Er klinken meldingen door de intercom en af en toe sirenes. Ongeluk, vlam in de pan. Aan de muur van de kamer van de districtscommandant hangt een grote foto van zijn vrouw en vier dochters. Hij vertelt rustig, met zachte stem.

Hij is geboren in Casablanca in Marokko, als middelste van acht kinderen. Zijn vader werkte bij de technische dienst, zijn moeder was lerares. Ze waren niet arm, maar ook niet rijk. Ze hadden alles wat ze nodig hadden, maar ook niet meer. Zijn jeugd bestond uit school, voetballen in de buurt en scouting. Prestaties telden: als je goede cijfers haalde, kon je dure sportschoenen krijgen.

Toen zijn oudste broer naar het buitenland ging, begon het te kriebelen. De jaren tachtig waren geen vette jaren in Marokko. Hij had dorst naar iets anders, naar méér, een betere toekomst. Hij wilde onafhankelijk zijn van zijn familie.

Dat gaat niet zomaar, dat wist hij wel. Je hebt een verblijfsvergunning nodig en geld. Je moet een vreemde taal leren en aarden in een andere cultuur. Maar dat nam hij voor lief. Hij telde simpelweg meer voor- dan nadelen. De rechterkolom, zo zegt hij, was langer dan de linker.

Zonder geld of vrienden, maar met een missie

Dit is het verhaal van Mostapha Nazih (49), die als jongeman uit Marokko vertrok. Zonder geld, vrienden of concreet plan. Met ambitie en een missie: maatschappelijk succesvol worden. Als je wilt, zegt hij, kun je bereiken wat je voor ogen hebt. Je moet wel kansen creëren. Je doel niet uit het oog verliezen. En geluk hebben.

„Op een donderdag in augustus om kwart over 11 uur ’s avonds pakte ik de trein. Ik was 21. Mijn moeder en broertje gingen mee naar het station. Ik had me thuis volgepropt met eten. Van het geld dat ik bij me had kon ik niet meer dan vijf tosti’s kopen. Ik had een treinkaart waarmee ik een maand door Europa kon reizen, een paspoort en een tas vol noten, dadels en water. Mijn doel was: Scandinavië. Maar ik had geen idee hoe het zou lopen. Naarmate ik langer in de trein zat, werd ik steeds onzekerder. Ik dacht voortdurend: je bent een kerel, het gaat je lukken, de aanhouder wint. Maar ik voelde ook angst.

„In Tanger pakte ik de boot naar Spanje en van daaruit de trein naar Parijs, waar mijn oudste broer woonde. Ik had zijn adres opgeschreven, maar ik kon hem niet vinden. Toen dacht ik: nu is de navelstreng doorgeknipt, ik moet mezelf redden.

Foto Merlijn Doomernik

„In Parijs waren drugshandelaren, mensen die je spullen probeerden te jatten. Ik sliep twee nachten op station Paris Nord, op mijn buik, mijn paspoort bij m’n borst. Met één oog open om op mijn spullen te letten. Via Hamburg reisde ik naar Scandinavië: Kopenhagen, Stockholm, Helsinki. Daar heb ik vier maanden gewoond. Af en toe sliep ik in de trein, af en toe bij mensen die ik had ontmoet. Ik deed wat schoonmaakwerk, kreeg wel eens een broodje en ik had nog steeds die noten. Ik kwam in contact met andere Marokkanen. Keurige, hoogopgeleide mensen, die al dertig jaar in Helsinki woonden maar niks van hun carrière hadden gebakken. Ik dacht: is dit het nou? Over op plan B.

„Naar Marokko terug, dat wilde ik niet. Ik besloot naar Frankrijk te gaan, om daar te studeren. Met twee jongens reisde ik met de boot naar Stockholm, waar we onze horloges verkochten om door te kunnen reizen. Kopenhagen, Duitsland, Maastricht. We reisden op een goedkoop kaartje een veel te lange afstand, maar de controleurs zeiden er niks van. We deden vaak alsof we sliepen.

„We hadden Maastricht gekozen omdat een familielid van een van die jongens daar in de buurt woonde. Maar die man bleek ons niet te kunnen helpen. De andere jongen met wie ik was kende iemand in Amsterdam. Dus reisden we daar maar heen, weer op een veel te goedkoop kaartje.”

‘Wat een leuke, gezellige stad’

„Wow. Dat voelde ik meteen in Amsterdam. Zo anders dan het grimmige Parijs. Er was kermis op de Dam, maar dat wist ik niet, ik dacht dat die vrolijke apparaten bij de stad hoorden. Ik dacht: wat een leuke, gezellige stad!

„We vroegen lukraak op straat aan mensen of ze degene die we zochten kenden, en toevallig zei iemand ‘ja’. We pakten tram 13, naar het adres van die man, maar hij was er niet: op vakantie, zei iemand op straat. Al durfden we niet, toch stapten we in een bootje aan de gracht, om te slapen. Binnen een paar seconden stond de politie er al. Ze keken in mijn tas maar vonden mijn paspoort niet.

„We gingen terug naar de stad, naar een snackbar bij de Dam, voor een groenteschijf. Toevallig kwam er een groep Algerijnen naast ons zitten en we raakten aan de praat. Waar we naartoe gingen, vroegen ze toen de snackbar dichtging. We weten het niet, zeiden we, we moeten op straat slapen. Dat verbaasde hen; we zagen er netjes uit.

„Een van die Algerijnen had een caravan in een park in Amsterdam-Oost waar we mochten slapen. Dat was zo’n cadeau, ik heb denk ik twee dagen aan één stuk geslapen. Ze nodigden ons ook uit voor het eten: aardappelpuree met lever. Ik heb dat hele bord leeggegeten.

„Sinds ik uit Marokko vertrok, had ik geen vangnet meer, geen enkele zekerheid. We hebben twee weken in die caravan geslapen. Geld voor boodschappen kregen we door te bedelen. Toen was de man terug naar wie we aanvankelijk op zoek waren. Ik zei hem: het enige waar je mij mee kunt helpen, is werk. Ik wilde vastigheid. Het maakte me niet uit wat het zou zijn, als ik maar werk had.

Vier voormalig vluchtelingen blikken terug op de vluchtelingencrisis. Ze vragen zich ineens af: hoor ik er wel bij?

„Ik kwam terecht bij een shoarmazaak tegenover de beroemde discotheek iT. De eigenaar had ook nog een zolderkamer voor me. Ik kreeg heel weinig betaald, maar dat maakte niet uit; ik kon altijd shoarma eten. Ik begon als hulpje maar runde al vrij snel de hele shoarmazaak. Van drie uur ’s middags tot vier uur ’s nachts en in het weekend tot zeven uur. Ik kreeg een netwerk. Ik sprak geen Nederlands, maar maakte makkelijk contact, met handen en voeten. Van de eigenaar van de iT, voor wie ik de shoarmatent na sluitingstijd vaak nog opende, had ik een pasje gekregen waarmee ik gratis de discotheek binnen kon komen.

„Na een half jaar had ik genoeg van de lange nachten in de shoarmatent. Via via kwam ik terecht bij café Ritz op het Rembrandtplein. Ik begon als afwasser, maar al snel mocht ik in de keuken werken. Wat was ik trots dat ik daar tomaten mocht snijden. Doordat een collega vertrok, werd ik na een jaar kok en kon ik verder opklimmen in de keuken. Door mijn vaste aanstelling kreeg ik een verblijfsvergunning.

„Het ging goed, ik had een goede baan in zo’n mooi café, ik moest zelfs mensen aannemen met diploma’s die ik zelf niet bezat. Maar na een paar jaar dacht ik: is dit het nou? Nee, ik wil meer.

„Ik heb altijd al bij de overheid willen werken. Dat je verantwoordelijkheid neemt voor de maatschappij, dat spreekt me aan. Maar ik wist ook wel: zonder taal gaat dat niet lukken. Daarom deed ik naast mijn werk cursussen om Nederlands te leren. Tegelijkertijd deed ik toelatingstesten voor de politie, de brandweer en de marechaussee. Mijn leven bestond uit zwemmen, hardlopen, de taal leren, werken in de Ritz. Dat was heel zwaar.

„Op 1 november 1993, ik was 25, ben ik aangenomen voor de opleiding bij de brandweer. Mijn gebrekkige Nederlands compenseerde ik met kracht en inzet. Als de les om acht uur begon, was ik er om kwart over zeven. Ik leerde alle pagina’s uit de lesboeken uit mijn hoofd. Ik was nooit ziek. Na twee jaar kreeg ik een vaste aanstelling.

„Maar ik was nog steeds niet waar ik zijn wilde, ik wilde een baan met invloed. Ik wilde doorstromen, dus deed een hbo-opleiding bedrijfskunde en daarna een master. Toen ben ik de officiersopleiding bij de brandweer gaan volgen.”

Slechte stage

„Daarna kwam de klap. Mijn stage als officier ging heel slecht. Voor het eerst in mijn leven lukte iets niet. Over bepaalde eigenschappen die je nodigt hebt om manager te worden, zoals assertiviteit en empathie, bleek ik niet voldoende te beschikken. Ik had ze niet meegekregen van thuis. Ik had nooit geleerd te zeggen: hier ben ik het niet mee eens. Ik was altijd vriendelijk en sociaal, maar wist niet hoe je mensen kon overtuigen.

„In het begin was ik kwaad: ze hebben de pik op mij, zo voelde het. Het zat diep. Zelfs tijdens een bezoek aan mijn ouders in Marokko lag ik er wakker van. Maar op een gegeven moment ging ik nadenken. Het lag niet aan anderen, het lag aan mezelf. Van de brandweer mocht ik een training volgen in communicatie en assertiviteit. En ik kreeg een coach. Met hem heb ik afgepeld wie ik ben en waar ik vandaan kom. Ik heb geleerd om inhoud boven de relatie te stellen; ik ga conflicten niet meer uit de weg. Nu werk ik als manager van drie kazernes in Amsterdam en ik geef voorlichting over brandveiligheid aan moskeeën en andere doelgroepen die voor de brandweer moeilijk te bereiken zijn.

„Waarom is gelukt wat ik op m’n 21ste voor ogen had? Doorzettingsvermogen en veel geluk. Je kunt dat toeval noemen, als moslim noem ik het liever bestemming. Ik bleef doorlopen, ook toen de grond onder mijn voeten zacht was. Ik was met de grote lijnen bezig, de toekomst, niet met details. Er gáát iets komen, dat heb ik altijd gevoeld. Ik wist alleen niet hoe lang het slechte weer zou duren.”