Ja leuk, een reisje van 20 miljard jaar

Ruimtereis

Als kind bouwde Vincent Icke al een telescoop van een loep en een brillenglas. Nu denkt hij na over ruimtereizen.

Foto Peter de Krom

De tuin is een zee van veldbloemen; het huis aan de rand van Leiden een oase van licht en kleur. De hond kwispelt van plezier. De rode kater met drie poten springt op het aanrecht alsof hij gewoon vier poten had. Wie zou er de ruimte in willen reizen met zo’n paradijsje op aarde?

Toch gaat het laatste boek van astrofysicus Vincent Icke precies daarover. Reisbureau Einstein heet het. En wie bij dit bureau een ticket koopt verlaat in veel gevallen het zonnestelsel. Echte durfals kopen er zelfs een reis naar de rand van wat nu het zichtbare heelal is: tien miljard lichtjaar van de aarde.

Kan dat? Als zelfs het licht over die afstand dus tien miljard jaar doet? Jawel, legt Icke in zijn boek uit. Dankzij Einstein weten we dat de tijd veel langzamer verstrijkt voor iemand die met bijna de lichtsnelheid reist. In hun eigen beleving zijn zulke ruimtereizigers daardoor slechts 46 jaar onderweg. Dat is te doen in een mensenleven. Al is de keerzijde dat het afscheid van familie voorgoed is, zelfs voor wie onmiddellijk weer terugreist. Want als zo’n reiziger oud en grijs terugkeert, zijn op aarde twintig miljard jaar verstreken.

Icke is niet de eerste die hierover schrijft. En die zich de vraag stelt: zullen zulke ruimtereizigers onderweg stuiten op ander leven? Hebben wij ‘exoburen’, zoals Icke ze noemt? Dat vroegen wetenschappers zoals Christiaan Huygens zich zo’n vierhonderd jaar geleden al af.

„En zelfs Neanderthalers moeten zich hebben afgevraagd: wonen er achter de bergen anderen zoals wij? Waarbij ‘achter de bergen’ voor hen zoiets was als ‘voorbij de maan’ voor ons.”

Het waren óók prachtige vragen voor de kleine Icke, die als jongetje boeken uit de bibliotheek verslond. „We woonden in de arme buurt van De Bilt en konden enkel op vakantie naar Katwijk. Mijn vader had drie jaar HBS; mijn moeder had minstens zo weinig opleiding. Hun leven was door de oorlog gekleurd. Maar ze hadden allebei twee rechterhanden: konden prachtige dingen maken.” En minstens zo belangrijk: „Ze gaven hun drie kinderen alle vrijheid om de wereld te ontdekken.”

De jonge Icke deed dat vol overgave. Hij bouwde een telescoopje van een brillenglaasje en een loep bijvoorbeeld. En hij wilde altijd weten hoe iets in elkaar zat; hoe het werkte; waarom het was zoals het was. „Niemand thuis keek van al die vragen op: dat is nu eenmaal Vincent, wisten ze.” En ze merkten al snel dat zijn immense nieuwsgierigheid samenging met een grote drang tot uitleggen. Hij lacht verontschuldigend. „Ik was vast een lastig jongetje. Eigenwijs, met een loeigoed geheugen voor feiten en pedant.”

Maar van dat laatste is niets te merken als hij de lezer in zijn boek meevoert langs de laatste inzichten in sterren, planeten en het ontstaan van leven. Wel wil Icke nog altijd precies weten hoe iets zit. „Ik heb bij het schrijven dus zelf ook veel geleerd.” Hij gebruikte bijvoorbeeld eigen software om grote biomoleculen af te beelden. Op zijn laptop laat hij zo’n molecuul, een stuk DNA, in alle richtingen wentelen. De atomen zijn zo ingekleurd dat de basismoleculen die zij samen vormen, er meteen uitspringen.

Waarschijnlijk ook elders leven

„Kijk, fosfaat, een simpele suiker en een base – meer is het niet. De bouwstenen van het leven zijn ontzettend eenvoudig. Wij zijn zo eenvoudig dat we onszelf kunnen begrijpen.” En omdat de benodigde atomen – waterstof, zuurstof, stikstof, fosfor, koolstof en zwavel – overal in de ruimte rondzwerven, lijkt het waarschijnlijk dat ook elders in het heelal leven is ontstaan.

Of dat intelligent leven is, is een andere vraag. Maar: „Als er eenmaal ergens leven ontstaat, lijkt de kans me reëel dat daaruit intelligent leven evolueert: intelligentie geeft zo’n groot voordeel bij het overleven van een soort.” Al kan het natuurlijk dat die intelligentie - en nu wordt het meer speculeren –andere vormen aanneemt dan de menselijke. Dat exoburen helemaal geen wiskunde kennen bijvoorbeeld.

„Neem de octopus. Die heeft een minibrein in elk van zijn acht poten. Je kunt je voorstellen dat ook een exobuur is toegerust met zo’n systeem dat informatie uit meerdere losse hersengebieden ergens in zijn organisme combineert. Zo’n centraal regelcentrum redeneert en deduceert dan niet zoals wij, maar weegt en middelt de informatie die binnenkomt. Een soort fuzzy logic.”

Misschien zijn de exoburen wel veel geavanceerder

Het prikkelt de verbeelding. Denken over exoburen houdt ons daarnaast een spiegel voor. Dat we nog nooit tekenen van exoburen hebben opgepikt kan bijvoorbeeld óók komen doordat hun samenlevingen hoogstaander zijn dan de onze. „Een vergevorderde intelligente samenleving plundert zijn planeet niet zoals wij dat doen, maar is een kringloopsamenleving die alle grondstoffen steeds weer hergebruikt. Die laat dus geen sporen achter.” Iets waar aardbewoners juist in excelleren– denk aan hoe verkwistend straat- en kasverlichting de ruimte in vliedt.

Nog iets. Een maatschappij die reizigers een eind(je) de ruimte in wil sturen én ze weer wil kunnen ontvangen, moet stabiel blijven gedurende zeker 50.000 tot 100.000 jaar. Ook dat is op aarde nog nooit vertoond. Relatief zijn we op aarde nu vreedzamer dan ooit, maar we zijn ook met te veel, en maken er een bende van. En wie, zegt Icke, profiteren straks van nieuwe wetenschappelijke inzichten en technologie? „Nu al is de kloof tussen arm en rijk enorm. Wie rijk is, krijgt beter onderwijs en betere zorg. Hoe gaat dat verder?”

Toch denk ik dat je voorlopig op aarde beter af bent dan met een klein clubje op Mars

Denkt hij dan ook dat rijken de aarde zullen verlaten en de rest in de rommel achterlaten? Dat ligt subtieler. „Elon Musk (van de Tesla-auto’s en Space-X-raketten) wil inderdaad een kolonie op Mars vestigen. Toch denk ik dat je voorlopig op aarde beter af bent dan met een klein clubje op zo’n kale, zuurstofloze planeet. Het lijkt me niet ondenkbaar dat ergens in de komende 150 jaar een catastrofe de mensheid decimeert: maar als soort zullen we het hier uiteindelijk wel redden, denk ik.”

En allicht zullen we dan ook tripjes maken tot ver voorbij de maan en Mars. „We kunnen nu al glasdeeltjes bijna zo groot als een zandkorrel tot tegen de lichtsnelheid versnellen. Trek je die lijn door…”

Zou hij zelf zo’n ticket kopen als hij de kans had? „Nee”, zegt Icke volmondig. „Was ik kinderloos en zonder familie, dan zou ik meteen vertrekken. Uit nieuwsgierigheid. Maar het lijkt me vreselijk om je kind te overleven. Om je geliefden achter te laten. Ik zou het niet doen.”