Opinie

Soms stort een gewone wereld in

zoekt de Gewone Nederlander. In deel 1 vindt ze in Nieuwegein een internist.

De Gewone Nederlander vraagt me op hem te wachten voor de centrale balie in de hal. In de tussentijd observeer ik de mensen die langslopen. Een oma schuift voorbij achter een rollator. Een kind jengelt, haar handje verstrengeld in die van haar moeder. De Gewone Nederlander komt met uitgestoken hand op me af. Hij draagt een witte jas.

De Gewone Nederlander vertelt me over helden die werken op zijn afdeling. Artsen hebben soms Freudiaanse beweegredenen om voor hun beroep te kiezen, vertelt hij. Pas aan het eind van de dag begrijp ik wat hij daarmee bedoelt. Als ik hem vraag naar zijn eigen reden om arts te worden, vertelt hij dat hij zijn kind verloor aan leukemie.

Trappenhuis, gangendoolhof. In mijn zak een opschrijfboekje met wat vragen die ik heb voorbereid. Ik zal er niet aan toekomen.

Een kleine kantoorruimte. Computers, nog meer witte jassen, een whiteboard met namen van patiënten. Oud, jong. De een zieker dan de ander. Ziek zijn is per definitie ongewoon. Maar sommige patiënten zijn ongewoner dan andere.

De Gewone Nederlander vertelt me over patiënt X, wiens voorouders lang geleden uit West-Europa naar Nederland, tolerant en vrij land, vluchtten. Generaties later ligt hij in een ziekenhuisbed, zijn overlevingskans is dertig procent. Een stamceldonor zou die kans met dertig procent doen stijgen. Maar zijn genen maken die zoektocht lastig.

Patiënt Y is veel ouder, maar heeft de genen van een Hollandse boerenjongen. Dat maakt zijn overlevingskans groter. Gewoon en ongewoon zijn in deze context factoren waar je geen invloed op hebt.

Een van de helden van de Gewone Nederlander is een assistent-arts. Ze is jong, misschien net zo oud als ik, eind twintig. Op vijfjarige leeftijd kreeg ze leukemie. Daarna was ze vastbesloten om zelf arts te worden. Zij heeft net ontslag genomen, want ze gaat haar promotieonderzoek doen op Harvard. Iets over de omgeving van een kankercel. Haar naam klinkt voor sommige mensen wat ongewoon. Ze heeft een Marokkaanse achtergrond. Meneer X vroeg haar eens naar haar afkomst. Hij vertelde haar over een Marokkaanse trompettist. Een paar dagen later moest ze hem slecht nieuws brengen over zijn toestand. Ze eindigde dat gesprek met een opmerking over de trompettist. Praten over iets gewoons kan een ongewone situatie draaglijker maken.

Ik moet een witte jas aan en neem plaats achter de Gewone Nederlander in zijn spreekkamer. Een voor een schuiven mensen naar binnen. Hoopvol, angstig. Goed nieuws, geen nieuws, een nieuw onderzoek. Een sprankje hoop, ongeloof.

Nog een keer een trappenhuis, nog een keer door een gangendoolhof. We lopen de kamer van een patiënt in. Haar ouders zijn erbij, en een vriendin. De Gewone Nederlander heeft slecht nieuws. Een wereld stort in elkaar. Tranen. De vriendin heeft een boekje en pen mee, die blijven lang onaangeroerd. De Gewone Nederlander bespreekt scenario’s en legt uit waarom ik erbij ben. Ik kan wel door de grond zakken met mijn domme opschrijfboekje en mijn verontwaardiging over gewoon of ongewoon. Die etiketten lijken hier pervers.

Zo zie je maar, zegt de patiënt, soms denk je een heel gewoon leven te leiden en dan kan alles in een klap ongewoon worden.