Het leven draait niet om geluk

Op de Achterpagina vertellen auteurs wat zij van hun moeder leerden. Vandaag: schrijver en theatermaker Ik voel me zo met haar verweven dat ik soms vergeet wie ik ben als ik met haar praat.”

Het is zes uur ’s ochtends, mijn moeder en ik lopen over een schemerig pad de donkere bosrand tegemoet. De lucht is vol vogelgeluiden, in de draagzak op mijn buik snurkt de baby die ons een half uur geleden wakker kraaide. Melk, wiegen, sussen; niks hielp, dus besloten we maar te wandelen zodat de rest van het huis rustig door kon slapen.

Ik heb mijn moeder net de vraag gesteld die al een week door mijn hoofd spookt. De vraag die ik zelf maar niet kan beantwoorden en nu doorschuif in de hoop dat haar reactie mij op weg helpt. „Wat heb je van je moeder geleerd?”

Ik had haar ook kunnen vragen wat ze mij en mijn zussen heeft willen leren, kunnen zeggen dat er een deadline nadert en ik er niet uit kom maar met mijn moeder communiceer ik liever indirect. Ik denk omdat ze me te nabij is, ik me zo met haar verweven voel dat ik soms vergeet wie ik ben als ik met haar praat.

Als de vraag was wat ik van mijn vader heb geleerd, had ik zo een lijstje klaar. Dwars liggen. Hardlopen. Vastbijten. Bij mijn moeder kom ik niet verder dan één onnozel woord: alles.

We lopen het bos in, een vroege mountainbiker racet ons voorbij en verdwijnt verderop in flarden mist. „Ze heeft me geleerd dat de dingen met elkaar verbonden zijn”, zegt mijn moeder dan. „Dat niks op zichzelf staat en alles ertoe doet.”

Ik denk aan mijn oma, zie haar voor me in haar grote witte pyama, haar grijze haren lang en los. Als ze bij ons logeerde en ik na het uitgaan ’s avonds laat de trap op sloop zat ze altijd wakker in haar bed. De dood van twee zoons had haar slapeloos gemaakt. Soms denk ik dat mijn eigen slapeloosheid via een of andere mysterieuze emotionele overerving rechtstreeks van haar afkomstig is.

Mijn moeder gaat me voor over een slingerpaadje tussen braamstruiken. Het begint langzaam licht te worden. Ik kijk naar haar bruine jas, haar rechte rug. Mijn open, ondoorgrondelijke moeder die met één blik kan vergeven en veroordelen. Mijn zachte, ernstige moeder om wie ik soms zo hard moet lachen dat ik er van huil.

Mijn rug doet pijn, de baby is zwaar en we hebben nauwelijks geslapen vannacht. Maar zij ging later naar bed en was eerder op en dat al meer dan zestig jaar. Ik kan me niet herinneren dat ze ooit over vermoeidheid heeft geklaagd.

Op de open plek in het bos kijken we naar de ganzen die luid gakkend overvliegen. Mijn moeder, zegt mijn moeder, dacht dat die met een boodschap uit een andere wereld kwamen. Een wereld waarin wie dood was leefde.

We lopen terug. De mist trekt op, de baby zucht in zijn slaap en ineens weet ik het. Ik leerde alles van mijn moeder, maar vooral dat het leven niet draait om geluk. Dat je daar geen recht op hebt, dat er geen garanties zijn, dat het er om gaat dat je lacht en leeft en liefhebt en als je doodmoe door de mist wandelt de herfstlucht inademt, naar de ganzen luistert, denkt aan wie er niet meer zijn en daarna met een rechte rug de dag inloopt.