Opinie

Wil de echte Gewone Nederlander opstaan?

NRC-columnist is op zoek naar de Gewone Nederlander. Ruim honderdzestig lezers reageerden op haar oproep.

Lamyae Aharouay en internist-hematoloog Okke de Weerdt. Foto NRC

Ruim drie weken geleden riep ik gewone Nederlanders op zich te melden. Aanleiding was de H. J. Schoo-lezing, waarin CDA-fractievoorzitter Sybrand van Haersma Buma een lans brak voor de Gewone Nederlander, zonder concreet te maken wie dat precies is. Ruim honderdzestig lezers reageerden. Sommigen wisten zeker dat zij tot de categorie Gewone Nederlanders behoorden, anderen vroegen om mijn oordeel.

In de reacties valt een aantal zaken op. Veel lezers sommen een checklist op van eigenschappen of materiële zaken waarover ze beschikken (‘Ik rij een Opel Astra.’ Of: ‘Ons huis heeft een hypotheekwaarde van ongeveer 250.000 euro’). Zoals een lezer schrijft: „Kom uit een gewone familie, betaal netjes mijn belasting, zorgverzekering. Ben verzekerd voor alles. De overheid weet alles van mij. Heb klantenkaarten van Kruidvat, Ikea, Gamma, Karwei en veel meer. Ik ben al meer dan 25 jaar lid van de vakbond, koop gewoon cd’s en dvd’s en ik mag een keer in de vier jaar mijn stem uitbrengen, waarna ik weer vergeten word. Ik werk al 36 jaar in een volledig wit bedrijf waar vrouwen, buiten de telefoon opnemen, niet in een andere functie kunnen overleven. Ik word nooit uitgenodigd voor een of andere zogenaamd intellectuele late night-show, sterker nog, dat kan ook niet, want ik moet de andere morgen om zes uur opstaan om weer ‘hardwerkend Nederland’ te zijn.”

Anderen wezen mij erop dat de Gewone Nederlander waarschijnlijk helemaal geen NRC leest, en dat ik mijn oproep beter in het AD kon plaatsen. De verscheidenheid aan reacties die ik kreeg, laat zien dat dat niet helemaal waar is. Er is gereageerd door een arts, maar ook door een verpleegster.

Ik heb hartverwarmende e-mails gekregen, onder meer van mensen die in uithoeken van Nederland wonen en mij aanboden te blijven overnachten.

Anderen zagen hun wijk de afgelopen jaren veranderen, waarbij wat zij altijd gewoon vonden steeds ongewoner voor hen werd.

Een van de Gewone Nederlanders merkte op dat je pas kunt zien hoe Nederlands je bent, als andere mensen uit andere landen je daarop wijzen. „Prostitutie een legaal beroep? Kan niet in Zweden. Door de staat gefinancierde scholen op geloofsgrondslag? Echt niet in Frankrijk. Gewoon ‘jij’ zeggen tegen iemand die je niet kent? Niet in België.”

Er waren uiteraard ook mensen die mijn vraag beantwoordden met een persoonlijk oordeel: over mijn religie, over mijn hoofddoek. Er waren mensen die absoluut niet wilden dat iemand zoals ik op bezoek zou komen.

De komende weken bezoek ik een aantal Gewone Nederlanders: een werkende moeder uit Delft, een middelbare scholier uit Amsterdam, een zzp’er uit Arnhem (die liever in dienst wil) en een bejaard echtpaar uit Boxtel. Hier leest u daar acht weken lang, iedere zaterdag een verslag van. Vandaag de eerste. Laat u niet misleiden door zijn beroep. Als er iemand in contact komt met gewone Nederlanders, dan is het deze man.

Deel 1: ontmoeting met internist Okke de Weerdt (St. Antonius)

De Gewone Nederlander vraagt me op hem te wachten voor de centrale balie in de hal. In de tussentijd observeer ik de mensen die langslopen. Een oma schuift voorbij achter een rollator. Een kind jengelt, haar handje verstrengeld in die van haar moeder. De Gewone Nederlander komt met uitgestoken hand op me af. Hij draagt een witte jas.

De Gewone Nederlander vertelt me over helden die werken op zijn afdeling. Artsen hebben soms Freudiaanse beweegredenen om voor hun beroep te kiezen, vertelt hij. Pas aan het eind van de dag begrijp ik wat hij daarmee bedoelt. Als ik hem vraag naar zijn eigen reden om arts te worden, vertelt hij dat hij zijn kind verloor aan leukemie.

Trappenhuis, gangendoolhof. In mijn zak een opschrijfboekje met wat vragen die ik heb voorbereid. Ik zal er niet aan toekomen.

Een kleine kantoorruimte. Computers, nog meer witte jassen, een whiteboard met namen van patiënten. Oud, jong. De een zieker dan de ander. Ziek zijn is per definitie ongewoon. Maar sommige patiënten zijn ongewoner dan andere.

De Gewone Nederlander vertelt me over patiënt X, wiens voorouders lang geleden uit West-Europa naar Nederland, tolerant en vrij land, vluchtten. Generaties later ligt hij in een ziekenhuisbed, zijn overlevingskans is dertig procent. Een stamceldonor zou die kans met dertig procent doen stijgen. Maar zijn genen maken die zoektocht lastig.

Patiënt Y is veel ouder, maar heeft de genen van een Hollandse boerenjongen. Dat maakt zijn overlevingskans groter. Gewoon en ongewoon zijn in deze context factoren waar je geen invloed op hebt.

Een van de helden van de Gewone Nederlander is een assistent-arts. Ze is jong, misschien net zo oud als ik, eind twintig. Op vijfjarige leeftijd kreeg ze leukemie. Daarna was ze vastbesloten om zelf arts te worden. Zij heeft net ontslag genomen, want ze gaat haar promotieonderzoek doen op Harvard. Iets over de omgeving van een kankercel. Haar naam klinkt voor sommige mensen wat ongewoon. Ze heeft een Marokkaanse achtergrond. Meneer X vroeg haar eens naar haar afkomst. Hij vertelde haar over een Marokkaanse trompettist. Een paar dagen later moest ze hem slecht nieuws brengen over zijn toestand. Ze eindigde dat gesprek met een opmerking over de trompettist. Praten over iets gewoons kan een ongewone situatie draaglijker maken.

Ik moet een witte jas aan en neem plaats achter de Gewone Nederlander in zijn spreekkamer. Een voor een schuiven mensen naar binnen. Hoopvol, angstig. Goed nieuws, geen nieuws, een nieuw onderzoek. Een sprankje hoop, ongeloof.

Nog een keer een trappenhuis, nog een keer door een gangendoolhof. We lopen de kamer van een patiënt in. Haar ouders zijn erbij, en een vriendin. De Gewone Nederlander heeft slecht nieuws. Een wereld stort in elkaar. Tranen. De vriendin heeft een boekje en pen mee, die blijven lang onaangeroerd. De Gewone Nederlander bespreekt scenario’s en legt uit waarom ik erbij ben. Ik kan wel door de grond zakken met mijn domme opschrijfboekje en mijn verontwaardiging over gewoon of ongewoon. Die etiketten lijken hier pervers.

Zo zie je maar, zegt de patiënt, soms denk je een heel gewoon leven te leiden en dan kan alles in een klap ongewoon worden.