Wij hebben geen klauwen en dus hebben we ’n iPhone

Technologie

We moeten nieuwe technologie niet vrezen, zegt filosoof Peter-Paul Verbeek, maar er slim mee leven. Technologie is een onderdeel van ons mens zijn en onze moraal – van vuistbijl en vuur tot seksrobot en smartphone.

Beeld uit de serie Postcards from the Future, een kunstproject van Francesco Romoli Francesco Romoli

Seks met een robot. Meerijden in een auto die zichzelf stuurt. Het geslacht van je toekomstige kind kiezen. Over niet al te lange tijd zal het kunnen. Maar willen we het? Kunnen we de vloedgolf aan nieuwe technologieën die eraan staat te komen op de een of andere manier controleren?

„Er is momenteel veel angst”, zegt Peter-Paul Verbeek, hoogleraar Filosofie van mens en techniek aan de Universiteit Twente. We zitten in een kleine, glazen kamer in een nieuw gebouw, het drie jaar geleden opgerichte Design Lab. Verbeek is er een van de drie directeuren. Hier wordt onderzocht hoe mensen omgaan met, en reageren op nieuwe technologieën.

Die angst, gaat Verbeek verder, is kenmerkend voor perioden met veel en snelle technologische veranderingen. „Bij de industrialisering dacht men ook dat machines de mens zouden gaan vervangen.” Nu concentreert de angst zich volgens Verbeek op artificial agents, dingen die autonoom beslissingen nemen. Banksystemen die aandelen aankopen en verkopen, gevechtsvliegtuigen die beslissen of ze wel of niet een raket afvuren. Het roept angsten op. Kunnen we dit wel vertrouwen? En weer die vraag: wordt de mens straks niet overbodig? Of worden we misschien wel weggevaagd door onze eigen technologie?

Maar we voeren er de verkeerde discussie over, zegt Verbeek. De vraag is nu meestal: willen we dit of willen we dit niet? „Maar dan doen we net alsof zo’n technologie los van ons staat. Alsof we er neutraal over kunnen oordelen”, zegt Verbeek. „Terwijl een technologie, zodra hij is bedacht, onderdeel van ons wordt. En onze moraal, en onze oordelen, gaat beïnvloeden.”

Verbeek staat een andere benadering voor. Een alternatief ethisch kader. Dat stelt niet de vraag: willen we dit wel of niet? Maar: wat is een goede manier van leven? Als je met dat idee het ontwerp en het gebruik van technologieën gaat begeleiden, heb je veel meer impact en controle, zegt Verbeek. „De kunst is om technologie niet te zien als een soort grote demon die zich tegenover ons plaatst en ons wil wegdrukken, maar als iets dat ons vormt tot wie we zijn.”

Kunt u dat uitleggen?

„We zien de mens vaak als een dier met iets extra’s. Met taal, of met rede. De Franse filosoof Bernard Stiegler heeft het juist over default, een dier waaraan iets ontbreekt. We hebben geen scherpe klauwen die ons helpen overleven, of een keiharde buitenkant. Wij moesten ons aanvullen. Met vuur, met werktuigen.”

Zo ziet u dat ook?

„Absoluut. Technologie is een onderdeel van ons. Zo delen we onze geschiedenis ook in: stenen tijdperk, bronzen tijdperk. Dat gaat over werktuigen. Kijk om je heen. De straat, de fiets, orgaantransplantatie, ruimtereizen. Technologie geeft vorm aan hoe wij mens zijn, en hoe we de wereld zien. Ze heeft dat altijd gedaan, van de vuistbijl tot de iPhone.”

Maar veranderen die vindingen ook onze moraal, onze opvattingen over wat goed en fout is, zoals u stelt?

„Oh, dat denk ik zeker. Een recenter voorbeeld: de pil, en de moraal rond homoseksualiteit. Door de komst van de pil in de jaren 60 gingen we seks los zien van voortplanting. Wat gebeurde? Het werd minder gek om seks te hebben met iemand waarmee je geen kinderen kunt krijgen.

„Techniek medieert onze moraal. Ik zeg dus niet dat ze onze moraal determineert. Dat is de denkfout die mensen vaak maken. Ze zeggen dat we slaaf zijn van de techniek. Dat is niet zo. De mens heeft een relatie met de wereld, en techniek zit daar tussenin. Het is een soort voorwaarde voor die relatie. Het is, zeg maar, de weg waarop we lopen. Dat wil niet zeggen dat we niet kunnen lopen. Daarom heb ik ook moeite met de vraag: willen we dit wel of niet.”

Hoezo?

„Alsof je ‘nee’ kunt zeggen. Je zegt ook geen nee tegen de zwaartekracht.”

Het is dus volgens u onmogelijk om tegen welke technologie dan ook ‘nee’ te zeggen?

„Heb jij een voorbeeld waarbij dat is gebeurd? Zelfs kernwapens, met hun enorme vernietigingskracht, zijn er gekomen. We gebruiken ze nu weliswaar niet, maar met de ontwikkelingen in Noord-Korea en Iran weet ik niet of dat zo blijft. Je kunt zeggen: gaskamers, nee. Mensen kloneren, nee. Ik hoop dat we nooit mensen gaan kloneren, maar tegelijkertijd durf ik er mijn hand niet voor in het vuur te steken dat we het daadwerkelijk nooit zullen doen.”

Is dat niet erg fatalistisch?

„Eerder realistisch. Hier aan de universiteit werken mensen aan een technologie waarmee je wellicht het geslacht van je toekomstige kind kunt gaan kiezen. Ze zijn ervan overtuigd dat die technologie er gaat komen. ‘Als wij het niet doen, doet iemand anders het wel’, zeggen ze. Ik vind het onverantwoord om dan te zeggen: ik ben er tegen, dus ik doe niet mee. Ik zit er liever bovenop en vraag me af: wat betekent dit? Hoe beïnvloedt zo’n technologie onze moraal? En als het niet bijdraagt aan een goed leven, kunnen we dan iets in het ontwerp veranderen?

„Neem het voorbeeld van zonet. Het geslacht van je kind zal niet langer een lot zijn, maar het wordt een verantwoordelijkheid. Wat gaat dat betekenen? Ik heb vier zonen. Misschien zeggen mensen over vijftig jaar: dat is volkomen immoreel. Hadden jullie dat niet kunnen voorkomen? Dat is toch niet goed voor een kind, opgroeien in een mannengezin. Hebben jullie een hekel aan vrouwen? Ik vind het fascinerend om daar onderzoek naar te doen.”

Heeft u een voorbeeld uit uw eigen lab?

„Een hoogleraar aan onze universiteit heeft heel gevoelige sensoren ontwikkeld om hersenactiviteit te meten. Hij heeft ontdekt dat mensen die gediagnosticeerd hersendood zijn, veel meer hersenactiviteit blijken te hebben dan we dachten. En twee promovendi van mij kijken nu naar de vraag: wanneer ben je eigenlijk dood? Techniek geeft mede vorm aan hoe we betekenis geven aan dood zijn.

„Een ander voorbeeld. Een andere promovenda, Olya Kudina, heeft de discussies geanalyseerd die op internet gevoerd zijn over Google Glass, die brilcomputer. Google verspreidde ’m enkele jaren geleden onder een selecte groep, de explorers, die ’m mochten uitproberen. Daar zijn video’s van op internet gekomen. En daarop volgden de discussies erover. Die heeft Olya bestudeerd, met name hoe het begrip privacy opnieuw wordt gedefinieerd. Je ziet dat het gaat schuiven.

„Privacy betekende vooral: hoe kan ik mezelf afschermen tegen de buitenwereld. Maar opeens wordt de openbare ruimte, en de contacten die je daar legt, er ook bij betrokken. Want wat gebeurt er als je met iemand zit te praten die zo’n bril op heeft? Zoekt-ie dingen over jou op, maakt-ie opnames van je, zit-ie een filmpje te kijken? Hoe weet jij wat die ander over jou weet? Allerlei hele basale noties over het privékarakter van een gesprek gaan schuiven.”

En de vraag ‘willen we dit wel of niet’ is dan een verkeerde?

„Het suggereert dat je de ontwikkeling nog kunt stopzetten. Google heeft die bril destijds weliswaar niet op de markt gebracht, maar het is net met een nieuwe versie gekomen.”

Die vraag ‘willen we dit wel of niet’ komt voort uit het modern humanisme. U heeft daar kritiek op.

„Sinds de Verlichting en het modern humanisme draait het om de menselijke autonomie. De ethiek concentreert zich op de bescherming van het individu. Het probleem van het humanisme is dat het de wereld scheidt in mensen en dingen. Dat zie je terug in die vraag. Maar wij zijn verweven met de dingen. Daarom is die vraag een verkeerde.”

Beeld uit de serie Postcards from the Future, een kunstproject van Francesco Romoli. Francesco Romoli

Filosofen als Michel Foucault, Bruno Latour en Peter Sloterdijk spreken al decennia lang over die verwevenheid. Slaat het wel aan?

„In de ethiek is autonomie nog steeds een heel heilig woord. Het ligt gevoelig. Kritiek op het humanisme wordt vaak verkeerd opgevat. Als je tegen het humanisme bent, ben je tegen de mens en tegen de vrijheid! Foucault zei dat er van dit soort redeneringen een zekere chantage uitgaat.

„Maar posthumanisten – en daar reken ik mezelf ook toe – zijn niet tegen de uitgangspunten van het humanisme. Wel tegen de benadering dat je de mens scheidt van zijn omgeving. Het humanisme heeft een belangrijke rol gespeeld om de mens te bevrijden van onderdrukking. Maar je moet het individu niet verabsoluteren. Je moet denken in termen van relaties, niet van autonomie. Misschien heeft juist dat idee ons ook wel overgevoelig gemaakt voor welke inmenging dan ook. Terwijl die er altijd is.”

U pleit voor een nieuw ethisch kader: wat is een goede manier van leven. Maar wie bepaalt dat?

„In onze liberale samenleving is dat gelukkig een vraag waarop meerdere antwoorden mogelijk zijn. We kunnen er van mening over verschillen. Maar dan moeten we wel over de impact van nieuwe technologieën nadenken.”

Gebeurt dat voldoende?

„Niet in de politiek. Daar zou ik graag meer ruimte zien voor ethische discussies. Maar dit zal voor onze liberale democratie nog een hele uitdaging worden. De vraag wat een goed leven is, hebben we voor een groot deel naar de privésfeer verbannen. De politiek zegt: dat moet je lekker zelf uitzoeken. En als de politiek zich er wel over uitspreekt, dan gaat het vaak nog langs de oude lijnen van: willen we dit wel of niet.

„Je ziet het bijvoorbeeld bij de discussie over euthanasie en abortus. Het standpunt is ofwel conservatief. Of, geef alles maar vrij. Maar ik vind: ga nou eens dieper. Probeer te inventariseren wat de kwaliteit van leven is die op het spel staat.”

Bij de introductie van seksrobots bijvoorbeeld?

„Of van robots in de zorg en het onderwijs. Als dat gebeurt, gaan we dan anders aankijken tegen wat goede zorg of goed onderwijs is? Nu denken we misschien nog, de zorg moet door een mens gebeuren. Maar er zijn ook gênante dingen. Dat iemand tien keer per dag je billen komt afvegen als je oud en bedlegerig bent. Misschien is het veel fijner als een robot dat doet.”