De mens bestaat voor groot deel uit kunstmest

Stikstof uit auto’s, elektriciteitscentrales en vooral kunstmest komt uiteindelijk in ons lichaam. De vraag is hoeveel?

Foto iStock

Zitten er zuurstofatomen in mijn lichaam die vroeger in het lichaam van Abraham Lincoln zaten? Of in Hitler, Napoleon of Julius Caesar? Internet heeft hoekjes waar dit soort vragen gesteld worden. Altijd zijn er geleerden die antwoord geven: het maakt uit of de zuurstofdonor werd gecremeerd of begraven, de zuurstof uit begraven doden keert maar langzaam terug in de atmosfeer. Volgt een beschouwing over de menging van gassen. Het is theorie.

Maar in het VPRO-programma Zomergasten van 23 juli woei de wind uit een andere hoek. Daar kwam microbioloog Rosanne Hertzberger ongevraagd vertellen dat de stikstofatomen in ons lichaam voor de helft uit fabrieken komen. Fabrieken waar volgens het vermaarde Haber-Bosch procédé ammoniak wordt gemaakt uit methaan en lucht-stikstof. Nederland heeft ze in Sluiskil en Geleen. De ammoniak wordt rechtstreeks of via tussenstappen als kunstmest ingezet in de landbouw, wordt opgenomen in gewassen, belandt vandaar in eetbare dieren en uiteindelijk in de mens. Het gebeurt wereldwijd op zo grote schaal dat de stikstof in het wereldwijde eten inmiddels voor de helft Haber-stikstof is. En de stikstof in de mens ook want der Mensch ist was er isst.

Hertzberger leek het wel fijn te vinden, en je voelt er natuurlijk helemaal niets van, maar toch: stikstof uit de fabriek, leuk is anders. Zou het waar zijn?

Hertzberger citeerde uit haar boek Ode aan de e-nummers, en het blijkt dat ze voor de stikstofkunstmestbeschouwingen putte uit het boek The Alchemy of Air waarin Thomas Hager zwaar de loftrompet steekt over Fritz Haber en zijn oplossing van het wereldvoedselprobleem.

Wat Thomas Hager precies schreef over kunstmest werd deze week niet duidelijk maar het lijkt wel zeker dat hij op zijn beurt leunde op het werk van Vaclav Smil van de University of Manitoba. Smil timmerde in de jaren negentig aan de weg met analyses van het mondiale kunstmestgebruik, vooral uit zorg voor het milieu, want de inzet van kunstmest was zo geëxplodeerd dat grondwater en oppervlaktewater er mee dreigden vol te stromen. Smil beschreef de opbouw van zijn analyses in 1999 in detail in het tijdschrift Global Biogeochemical Cycles. Aan de hand van FAO-statistiek en andere statistiek berekende hij hoeveel miljoen ton stikstof er wereldwijd op landbouwgrond terechtkwam, niet alleen van kunstmest, maar ook van ondergeploegde oogstresten zoals wortels, stobben en stro, van dierlijke mest en – vooral – van ‘biologische stikstoffixatie’. Dat laatste slaat op het vermogen van sommige bacteriën en blauwalgen om stikstof uit de lucht om te zetten in een stikstofvorm die voor planten opneembaar is. Hier dringt zich het woord wortelknolletjes op. En ook het woord groenbemesting. Nederland liep lang voorop in de groenbemesting.

De terugkeer van ammoniak op aarde heeft onze heiden en duinen vergrast en verpest

Een niet onbelangrijke post in de Smil-balans is ‘atmospheric deposition’, wij noemen het vermestende depositie. Het is de terugkeer naar aarde van ammoniak uit de veeteelt en van het NOx dat door auto’s en elektriciteitscentrales werd gevormd. De stikstofdepositie heeft onze heiden en duinen vergrast en verpest, maar voor de boer is het gratis kunstmest.

Het was een beetje de grote greep, dat werk van Smil, want de FAO-statistiek voor minder ontwikkelde landen is wat minder ontwikkeld, om het zachtjes te zeggen. Hij moest er soms een slag naar slaan, maar waar hij in 1999 op uit kwam was dit: 46 procent van alle stikstof die ’s werelds landbouwgronden ontvangen komt van kunstmest. Bijna de helft.

„Toen ik in 1990 mijn eerste berekeningen maakte kwam ik uit op 40 procent”, mailde hij deze week. „Ik zou het nu op 45 procent schatten. Voor China is het vermoedelijk 55 procent.” (In China, en trouwens ook in India en Egypte, is de stikstof-inzet exorbitant hoog.)

Er leek dus weinig mis met de opgave van Hertzberger. Tot het oog viel op het werk van Robert Howarth, verbonden aan Cornell University. Howarth ziet het anders, hij berekende dat het gehalte Haber-stikstof in het doorsnee mensenlichaam ongeveer 80 procent is. Overigens op dezelfde manier als Smil, met alleen dit verschil: de stikstof in de dierlijke mest schrijft hij voor de helft óók toe aan het Haber-proces. (En die in oogstresten ook, waarschijnlijk.) Howarths benadering, het NANI-concept, werd in 1996 gepubliceerd in Biogeochemistry en is breed geaccepteerd.

Zo zit dat. Tachtig procent. En wie de ‘vermestende depositie’, de neerslag van NOx en dergelijke, als industriële stikstofbron meetelt komt nog hoger uit. Daar zit de Nederlander met zijn reinheidsgevoel.

Kan de kleine man (of vrouw) zijn gehalte Haber-stikstof ook verlagen, hebben wij Howarth gevraagd. Zeker kan dat, mailde hij terug, theoretisch kan het terug naar nul. Inderdaad: veel zeevis eten, als die maar niet uit vervuilde kustzones komt. En zeker: biologische bonen helpen ook, zolang ze niet zijn bemest met mest uit de conventionele landbouw.

Voedsel halen uit onbemeste streken in Afrika, zou je eraan toe kunnen voegen. Er is dus nog hoop. Maar terug naar nul? Afgezien van DNA en RNA is het humane stikstof vooral vastgelegd in eiwitten. De meeste eiwitten hebben een hoge turnover-snelheid, maar zoiets als doodgewoon collageen is na een eeuw nog niet voor de helft vernieuwd. Wie daarin Haber-stikstof vastlegt zit er voorgoed aan vast. Een weg terug is er niet.