Column

We kunnen het niet meer

Er moet een godswonder gebeuren wil het Nederlands elftal zich nog kwalificeren voor het WK voetbal in 2018. Voorwaarde is dat Zweden zich morgen thuis verslikt in Luxemburg en Nederland een monsterzege behaalt op Wit-Rusland. De vraag is: moeten we dat wonder eigenlijk wel willen? Want wat staat ons op dat WK te wachten? Drie gênante afstraffingen door oppermachtige tegenstanders?

Zulke vragen zijn vroeger nooit bij me opgekomen. Deelname van het eigen elftal aan een WK is voor elke voetballiefhebber interessant. Maar de afgelopen weken ben ik daar anders over gaan denken. Ik zag het Nederlands elftal en landskampioen Feyenoord pijnlijk stuntelen tegen veel sterkere tegenstanders, respectievelijk Frankrijk en Manchester City. Eerder werd Ajax voor Europees voetbal uitgeschakeld door het Noorse Rosenborg; dat was nog pijnlijker omdat Rosenborg niet eens sterker was.

Er was nog meer te zien: wedstrijden van topteams als Paris Saint-Germain en FC Barcelona. Vooral door zulke wedstrijden besef je dat het niveau van het Nederlandse voetbal daar twee, drie klassen bij achterblijft. Alles doen zulke teams beter: grotere handelingssnelheid, verfijndere techniek, verrassender tactiek, meer atletisch vermogen.

Het is vreemd, en het zegt ook wel wat over zelfgenoegzaamheid als nationale karaktertrek, dat die ontwikkeling zo laat tot voetbalminnend Nederland is doorgedrongen. Nog kort voor Frankrijk – Nederland hielden de voetbalanalisten op tv serieus rekening met een Nederlands succes. Het werd een onthutsend avondje. Na afloop was voor mij de conclusie onontkoombaar: we stellen niets meer voor, we kunnen het niet meer, het zal nog minstens één voetbalgeneratie duren voor we weer een beetje kunnen meedoen.

We hebben ons laten verblinden door geflatteerde successen op de laatste twee WK’s. Nederland werd toen met lelijk, maar effectief voetbal tweede en derde. Slechts enkele analisten waarschuwden destijds al; ik herinner me Johan Derksen en vooral Jan Mulder, die zich hevig ergerde aan het Nederlands elftal van coach Bert van Marwijk in Zuid-Afrika. De grote klasse van weleer – de jaren van Cruijff, Van Hanegem en later Van Basten, Gullit en Bergkamp – was weggevloeid, er kwam fantasieloos ‘werkvoetbal’ voor in de plaats.

Dat ‘werken’ lukt nu ook al niet meer. „We zijn niet fit genoeg”, zei Ruud Gullit laatst. Hij heeft er al vaker op moeten wijzen dat we „naïef” voetballen, want het verdedigen zijn we verleerd en we spelen liever in de breedte dan vooruit. Jarenlang waren we apetrots op ons eigen 4-4-3-spelsysteem (‘de Hollandse school’), maar die benaming is nu een synoniem geworden van stilstand. Bovendien breken jonge toptalenten (Depay, Bazoer) niet door.

Het heeft bijna iets grappigs. We zijn het land met vermoedelijk de meeste voetbalpraatprogramma’s op tv ter wereld, de eredivisie is populair en ook Nederlandse spelers worden in het buitenland steenrijk (zij het doorgaans op de reservebank), maar wat we niet meer kunnen is: voetballen.

Hoe moet dat nu als Zweden onverhoopt faalt tegen Luxemburg en Nederland dik van Wit-Rusland wint? Zal ik nog wel juichen?

Natuurlijk zal ik dat. Juist omdat het nog lang zal duren voor er weer écht wat te juichen valt.