We leggen ons niet meer neer bij de beperkingen van onze kinderen

Opvoedschaamte Waarom is het voor ouders zo lastig toe te geven dat ze met opvoedvragen worstelen?

Illustratie Martien ter Veen

Ga met een stel ouders van minderjarige kinderen om de tafel zitten, en binnen een half uur gaat het over opvoedkwesties. Schermgebruik, alcoholgebruik, onhandige motoriek, slaapproblemen, te weinig inzet op school, of juist te veel, driftbuien, seksuele voorlichting, brutale mond, te weinig of te veel vrienden, te weinig of te veel eten; er zijn geen huishoudens waar opvoeders niet met dat soort vraagstukken te maken krijgen.

Vanaf het moment dat hun zoon of dochter geboren wordt, hebben ouders vragen over hoe ze zich moeten gedragen tegenover hun kind, en als ik grootouders mag geloven, houden ze die vragen levenslang, ook al zijn de kinderen al lang en breed het huis uit en zijn er al kleinkinderen. En zo gek is dat toch niet? Je wordt per slot van rekening zonder veel kennis van zaken in dat ouderschap gekatapulteerd, en probeert er, koersend op gevoel en gezond verstand een weg in te zoeken, met veelvuldig struikelen als gevolg.

Als dat allemaal zo normaal is, waarom is het dan voor ouders zo lastig toe te geven dat ze met die vragen worstelen?

In de zomer van 2016 vroeg de redactie van NRC me te kijken naar de mogelijkheden van een wekelijkse opvoedrubriek. Ik benaderde om te beginnen al die mensen met wie ik tijdens de koffie en de wijn over onze kinderen had zitten speculeren met het verzoek snel hun meest prangende vragen in te sturen. Ik zou hele goede pedagogen verzamelen, wijze, ervaren mensen, en ze zouden gratis en voor niks een paar antwoorden krijgen. Wat bleek: ouders willen wel advies, maar louter anoniem. En niet met als voornaamste reden de privacy van hun kind, maar wegens schaamte.

Geen commentaar

Dat de opvoeding kennelijk zo gevoelig ligt, blijkt ook uit het taboe om elkaar erop aan te spreken. Was het vóór de jaren vijftig heel normaal als de buurvrouw haar ondeugende buurjongen een standje gaf, nu loopt ze kans dat er even later een mondige vader of moeder verhaal komt halen. Zelfs in vriendengroepen of in families waar alles met elkaar wordt besproken, is andermans opvoedstijl becommentariëren een absolute no-go.

Volgens Bas Levering (69) is die gevoeligheid rondom opvoedkwesties betrekkelijk nieuw. Levering maakt deel uit van het zeskoppige NRC-opvoedpanel dat wekelijks in wisselende tweetallen antwoord geeft op een opvoedvraag. „Tot en met de jaren vijftig was er een eensgezinde opvatting over de opvoeding”, zegt hij. „Bedtijden, aanspreekvormen, iedereen dacht daar hetzelfde over. En daar mocht je andermans kinderen ook op aanspreken. Die eensgezindheid, die destijds binnen de zuilen sterk werd ondersteund, is in de jaren zestig, zeventig geweldig op zijn kop gegaan. Iedereen moest het toen voor zichzelf gaan uitzoeken. Met die individualisering groeide ook de intolerantie voor ouders die het net even anders deden.”

In de grote gezinnen van de jaren vijftig en zestig was prestatie nog niet zo belangrijk volgens Levering. „Als je zes kinderen hebt rondlopen is het niet erg als een paar het minder goed doen op school.” Maar nu het aantal baby’s is afgenomen tot gemiddeld 1,7 per vrouw, „is dat een ander verhaal”. En presteren werd vooral het motto onder invloed van privatisering en marktwerking in de jaren tachtig. „In de jaren zeventig lag het accent nog op de eigen mogelijkheden van het kind, maar daarna ontstond er competitie, ook tussen ouders.”

Met als resultaat een overspannen blik op onze kinderen. Levering: „Vroeger legden we ons neer bij de beperkte mogelijkheden van onze kinderen, dat doen we niet meer. Ouders kunnen de beperkingen van hun kind alleen nog verkroppen als er een etiket van een stoornis aan wordt gehangen: dyslexie, add, adhd… Er móét een verklaring zijn waarom hún kind iets minder goed kan dan iemand anders.”

Wat daarbij volgens Levering sterk meespeelt is het overtrokken idee van maakbaarheid. „Vroeger overkwamen kinderen ons, nu ervaren ouders het dankzij anticonceptie als grote zelfgekozen verantwoordelijkheid.” En dan zijn we volgens hem ook nog eens een van calvinisme doortrokken volkje met een neiging tot schuldgevoel. Kortom:

„Falen als opvoeder wordt tegenwoordig gevoeld als een nederlaag. Dat risico willen ouders niet lopen, en ze willen er zeker niet mee te kijk staan.”

Opvoedtips maken onzekerder

Omdat ouders het gevoel hebben zelf het wiel uit te moeten vinden, is er tegenwoordig grote belangstelling voor inzichten van opvoeddeskundigen. Maar volgens Carolien Gravesteijn, werkzaam bij het lectoraat voor ouderschap en ouderschapsbegeleiding aan de Hogeschool Leiden, maken al die opvoedtips de onzekerheid van ouders alleen maar groter. Ze hield een jaar lang bij wat er in bladen, kranten en op tv aan opvoed-adviezen verscheen. „In het ene blad krijgen ouders te horen dat ze strenger moeten zijn voor een goede ontwikkeling van hun kinderen, en in het andere lezen ze dat ze juist met hen moeten onderhandelen. Hiermee geven we ouders het idee dat kinderen maakbaar zijn, en dat het hún schuld is als kinderen zich niet in de gewenste richting ontwikkelen of zelfs falen.”

Er is wat haar betreft niet alleen een overschatting van de waarde van het advies, maar ook van de rol die opvoeding überhaupt speelt in het slagen of ontsporen van een kind. „Daar spelen zoveel factoren bij mee. Het temperament van het kind bijvoorbeeld, de schoolomgeving, de vriendenkring.”

Naast het relativeren van hun eigen rol, zouden ouders volgens Gravesteijn wat meer mogen vertrouwen op hun gevoel en ervaring: „Zij kennen hun kind het best. En daar hoort vallen en opstaan bij.” Ook raadt ze ouders aan om zonder schuldgevoel de tijd te nemen voor zichzelf en elkaar, om elkaar in dat ouderschap te verkennen, ‘dan sta je ook steviger’.

„Het is voor kinderen vooral belangrijk dat ouders zelf lekker in hun vel zitten, en zich gelukkig voelen in hun relatie.”

Bas Levering onderstreept het uitgangspunt dat pedagogen het niet van ouders kunnen overnemen; advies moet erop gericht zijn dat ouders het zelf kunnen. Daarom is het volgens hem belangrijk dat er in de opvoedrubriek in deze krant telkens twee deskundigen op een probleem ingaan. Dat laat zien dat er niet één waarheid is. Hij zou ouders wel op het hart willen drukken het belang van opvoeding te relativeren. „Het lastige is dat ouders die het even niet meer weten het liefst een recept willen.”

Heeft u vragen over opvoeding? NRC legt ze voor aan deskundigen

Zijn advies: „Laat je niet te veel opjagen dat jouw kinderen de beste moeten zijn in wat dan ook. Daarmee is al veel gewonnen.”