‘De grens van wat de krijgsmacht kan is allang bereikt’

Defensie

Het rapport over Mali brengt de zwakke plekken van Defensie aan het licht. Oorzaak is niet alleen geldgebrek, zeggen oud-militairen, maar ook de ongezonde bedrijfscultuur.

Illustratie NRC/studio

Militair ben je om te worden uitgezonden, voor vrede en veiligheid. Hoe, waar en wanneer dat gebeurt, is een politiek besluit. Binnen de hiërarchische organisatie heb je loyaal bevelen van je meerderen op te volgen. Je denkt in oplossingen, niet in problemen. „Dus ‘nee’ zeggen is vele malen moeilijker dan ‘ja’ zeggen”, vertelt luitenant-generaal buiten dienst Bart Hoitink.

Tot begin dit jaar was Hoitink Inspecteur-Generaal van de Krijgsmacht, een soort ombudsman. Hij bemiddelde bij interne conflicten en rapporteerde structurele problemen aan de minister. Zijn militaire loopbaan – Hoitink klom in ruim drie decennia op van helikoptervlieger tot generaal – zette hij in 2006 op het spel toen hij naar de commandant van de luchtmacht stapte met de mededeling dat zijn eenheid niet langer in Afghanistan kon worden ingezet.

Hoitink gaf destijds leiding aan een eenheid die met helikopters van het type Chinook vloog. Twee daarvan waren een jaar eerder neergestort – zonder slachtoffers – omdat de continu uitgezonden bemanning onvoldoende getraind was. „Die ochtend zei ik tegen mijn vrouw: ik ga vandaag zeggen dat het niet meer kan. Het zou wel eens kunnen dat ik vanavond vroeg thuis ben en daarna heel lang vrij”, herinnert Hoitink zich. „Het was nogal wat om nee te zeggen: eerst tegen mijn baas, toen tegen de staatssecretaris, zelfs tegen de Tweede Kamer. En ook tegen mijn eigen mannen en vrouwen, die het zagen als een diskwalificatie: hoezo zijn wij niet geschikt?”

Hoitinks ‘nee’ pakte goed uit; de helikopterbemanning kreeg een jaar de tijd om te oefenen met de Chinook. Maar niet naar elke tegenspraak wordt geluisterd, zo blijkt uit het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) dat deze week aanleiding vormde voor het aftreden van Defensieminister Jeanine Hennis (VVD) en commandant der strijdkrachten Tom Middendorp.

De OVV stelt dat Defensie onvoldoende openstaat voor kritische signalen van medewerkers. Verschillende militairen meldden dat er problemen waren met goedkope en inderhaast aangeschafte mortiergranaten. Hun zorgen vonden geen weerklank. Vorig jaar vielen er twee dodelijke slachtoffers toen een granaat in Mali vroegtijdig ontplofte.

Heimwee naar saamhorigheid

Een tiental oud-militairen met wie NRC sprak, van hoog tot laag en uit diverse onderdelen, benadrukt dat er veel goed gaat tijdens het gevaarlijke werk bij Defensie. Sommigen hebben heimwee naar het avontuur, de saamhorigheid en de loyaliteit bij hun oude werkgever.

Maar ze vinden óók dat Defensie met forse problemen kampt. En dat die niet zijn opgelost met het vertrek van de minister en van de hoogste generaal. En niet met een zak geld van een nieuw kabinet. „Zonder duidelijke visie heeft het geen zin er geld in te pompen”, zegt Sébas Diekstra, die twaalf jaar beroepsmilitair was en nu als advocaat oud-collega’s bijstaat tegen de krijgsmacht.

Toch komen veel van de moeilijkheden bij de krijgsmacht voort uit geldgebrek. Decennialange bezuinigingen hebben Defensie, waar 55.000 mensen werken, uitgehold „Met verouderd materieel – van vrachtwagens tot medische apparatuur – loop je meer risico’s”, zegt Mart de Kruif, die vorig jaar afscheid nam als landmachtcommandant. Defensie verkeert bovendien in permanente reorganisatie, er is al jaren geen cao en de werkdruk is hoog. „Medewerkers verdienen niet veel, ze zijn hun baanzekerheid kwijt en voelen zich ondergewaardeerd of niet gezien door de leiding.” Dat vergroot volgens hem de kans op fouten.

De Kruif zegt dat er geen vertrouwen is in de politiek, maar ook niet in de militaire bazen die ze lijdzaam ondergingen. „Ik had veel eerder op de pomp moeten slaan.”

De bezuinigingen hebben tot „autocensuur” geleid, denkt Auke Westerterp, die met de luchtmobiele brigade in Afghanistan en Mali zat. Alle militaire eenheden moeten jaarlijks gereedheidsrapportages schrijven over de staat van het personeel en materieel. Op elk niveau waar rapportages worden samengevoegd, worden ze rooskleuriger herschreven. Westerterp: „Op het laagste niveau is men uiterst kritisch: ‘we storten bijna in’. Halverwege het proces staat er dat ‘nog een paar problemen moeten worden opgelost’. En als het rapport de minister bereikt zijn er nog maar ‘enkele aandachtspunten’.” Hogere commandanten willen de minister er niet mee lastig vallen en niet laten zien dat bij hen zwakke plekken zitten. Zo kan men op ‘het Plein’, waar het ministerie in Den Haag gehuisvest is, ook niet weten van alle problemen.

Lees ook dit opiniestuk van Ko Colijn: Vertrek Middendorp toont de echte crisis

Niet iedere militair is mondig

In een toelichting op zijn ontslag zei Middendorp dinsdag dat de krijgsmacht „op haar tandvlees loopt” en „de grens van wat de krijgsmacht kan allang is bereikt”. Dat roept de vraag op of hij zijn werknemers niet in bescherming had moeten nemen op momenten dat het kabinet en de Tweede Kamer in Mali weer een internationale missie wilden.

Hans Hillen, minister van Defensie in Rutte-I, zegt dat Middendorp weinig keus had. „Als de krijgsmacht niet beschikbaar is zeggen politici: we betalen zoveel en ze doen niks. Dan kan er nóg meer bezuinigd worden.” Voormalig generaal-majoor van de cavalerie Harm de Jonge is kritischer. „Middendorp had óók kunnen zeggen: we nemen geen risico’s want we gaan bijna door het ijs. In plaats daarvan gaf hij een dubbel signaal: het gaat niet meer, maar we gaan tóch op missie. Daardoor blijft onduidelijk hoe groot de ellende op de werkvloer is – en kan de politiek geen goede afwegingen maken.” Werknemers voelen zich volgens De Jonge niet gesteund „als de chef geen duidelijke grenzen stelt”.

Die tweeslachtige houding van de top leidt tot gevoelens van onveiligheid, denkt ook voormalig Inspecteur-Generaal Hoitink. Het klinkt misschien soft, zegt hij, maar mensen gaan pas praten over hun zorgen, als ze het gevoel hebben dat daar iets mee wordt gedaan. Het kán, bewees hij zelf met zijn weigering in 2006. Maar niet elke militair is zo mondig en kan precies uitleggen wat eraan schort. „Commandanten en leiders moeten die signalen beter oppakken en hun verantwoordelijkheid nemen.”

„De donkere kant van een rigide hiërarchie” noemt Sébas Diekstra het gebrek aan openheid bij Defensie. „Als je mensen opleidt met een strikte hiërarchie, is het heel moeilijk om diezelfde mensen op te leiden met ontvankelijkheid voor kritiek van mensen onder je.” Dat merkte Diekstra voor het eerst toen hij op de Koninklijke Militaire Academie zat, waar de officieren worden opgeleid die de soldaten moeten leiden, maar die die soldaten niet altijd serieus nemen. „Het klinkt cru, maar mensen die onder je zitten, worden als minder beschouwd. Ik bespeurde veel minachting onder cadetten.”

Diekstra ervoer de weerstand tegen openheid vooral toen hij vijf jaar geleden advocaat werd, maar reserveofficier bleef. Het werd niet gewaardeerd als journalisten hem opvoerden als reserve-majoor. „Alsof een van onze eigen mensen kritiek uitoefent”, zei de Defensietop volgens Diekstra tegen zijn commandant. Een jaar geleden trok de advocaat daarom definitief zijn uniform uit.

Mooie spullen kopen

In het regeerakkoord dat het kabinet van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie komende week presenteert, zal naar verluidt 1,5 miljard extra voor Defensie worden aangekondigd. De verleiding bestaat voor een nieuwe minister om daar vooral mooie spullen van te kopen: nieuwe onderzeeboten of extra gevechtsvliegtuigen. Investeer eerst in de mensen, raden betrokkenen aan. Met behoorlijke arbeidsvoorwaarden, maar ook door mensen verantwoordelijkheid terug te geven, zegt oud-landmachtcommandant De Kruif. Allerlei bevoegdheden, bijvoorbeeld over munitie of personeel, zijn de afgelopen jaren uit handen van operationele commandanten getrokken en gecentraliseerd. „Daarmee is de betrokkenheid verdwenen.”

Volgens de OVV moet de krijgsmacht „een zelfbewuste organisatie” worden die het kabinet „ongeacht de internationale ambities en gevoelde verantwoordelijkheid” reële adviezen geeft. Het kabinet moet daarvoor de voorwaarden scheppen.

Het klinkt als een echo van wat oud-militairen in de organisatie willen veranderen. Geen nieuwe regels en bureaucratie naar aanleiding van het Mali-incident, maar meer geld, openheid en eigen verantwoordelijkheid voor militairen. En de ruimte om nee te zeggen.