Column

Na de klap

Ik zag het aankomen die middag, maar kon niet voorkomen dat een nietsvermoedende stagiair voor de grap een ballon liet klappen pal achter de rug van mijn jongere collega Dennis. Ik zag - en het leek in slowmotion te gaan - hoe de schok door zijn lichaam trok. Dennis had niet lang daarvoor, samen met zijn vriendin, de aanslag op het vliegveld Brussel Zaventem overleefd. De tweede bom explodeerde op zo’n 30 meter afstand van de rij waarin ze stonden. En ze hadden geluk gehad, want een paar minuten daarvoor waren ze toevallig van rij gewisseld.

Een week voor de aanslag keken Dennis en ik op de redactie naar heftige beelden van een politie-inval in de buurt van Brussel, waarbij een deel van de aanslagplegers van Parijs werd opgepakt of doodgeschoten. Dennis keek ongerust en vertelde dat hij binnenkort vanuit Brussel moest vliegen. En ik stelde hem – heel moederlijk - gerust, want er was toch geen enkele reden te bedenken waarom terroristen het nou juist op dat suffe vliegveld Zaventem gemunt zouden hebben? Bovendien was het grootste deel van de terreurcel inmiddels opgerold. „Kom op Den, no worries,” zei ik opgewekt.

Als ik een klein uur na de aanslag Dennis vanaf Zaventem op Radio Rijnmond hoor vertellen hoe hij samen met zijn vriendin gerend heeft voor zijn leven, terwijl hij overal gewonden en doden zag liggen, voel ik me diep schuldig. „Kom op Den, no worries,” hoor ik mezelf steeds weer zeggen.

Afgelopen week las ik over de Rotterdammer Ferry Zandvliet, die de aanslag in de Parijse concertzaal Bataclan overleefde. Hij heeft onlangs het platform ‘Na de klap’ opgericht. Zandvliet wil Nederlandse terreurslachtoffers helpen („ook toekomstige”), uit ontevredenheid over de volgens hem ontoereikende hulpverlening aan deze specifieke groep. De volgende dag vertel ik Dennis erover. Hoewel hij het probleem herkent, zegt hij er geen behoefte (meer) aan te hebben. Hij heeft een beetje psychische hulp gekregen toen hij merkte dat hij na de aanslag een aantal merkwaardige gewoontes begon te ontwikkelen, zoals het dwangmatig controleren van deuren en sloten en het alsmaar in de gaten houden van nooduitgangen. Maar het gaat inmiddels beter, zegt hij. Dan vraagt hij of ik het filmpje wil zien dat hij kort na de explosies min of meer per ongeluk heeft opgenomen en op zijn telefoon heeft bewaard. Het geluid moet uit, want „dat vind ik het heftigst” zegt hij. Dan bedenkt hij zich en start het filmpje opnieuw, dit keer met het geluid aan. Onder de schokkerige beelden van de chaos en ellende in de vertrekhal horen we de paniek en complete ontreddering in de stem van zijn vriendin: „Niet kijken Den, niet kijken…” roept ze steeds weer. Als het filmpje stopt leg ik troostend mijn hand op de arm van Dennis, die zichtbaar van zijn stuk is gebracht. „Kom op Den, no worries” wil ik bijna zeggen. Maar we zeggen allebei niks en blijven nog een poosje zwijgend naast elkaar staan om vervolgens weer gewoon aan het werk te gaan.

(@mirjamdewinter) is freelance journalist en stadsgids in Rotterdam.