Cultuur

Interview

Interview

Frits van Oostrom in zijn huis in Delft.

Foto Robin Utrecht

Rechercheur van de Middeleeuwen

Interview Frits van Oostrom

Minutieus reconstrueerde neerlandicus Frits van Oostrom het uitzonderlijke leven van ridder Jan van Brederode. „Ik heb me nooit zozeer rechercheur gevoeld als nu”,

Op de helft van zijn boek Nobel streven houdt Frits van Oostrom het niet meer. In het jaar 1407 begint zijn hoofdpersoon Jan van Brederode het tractaat Somme le roi te vertalen, waarin de Franse koning het goede en deugdzame leven wordt voorgehouden. Brederode vertaalt niet alleen, hij vult ook rijkelijk aan, en daardoor is Des coninx summe zo’n geweldige bron over het wereldbeeld van de auteur. Maar ook over diens capaciteiten als schrijver – en dat is waarom de neerlandicus Van Oostrom in zijn boek tussen haakjes uitroept: „Het staat er werkelijk zo, in vloeiend Middelnederlands.”

Wat staat er? Van Oostrom citeert Brederode’s passage over niders, mensen die vreugde scheppen in andermans verdriet. „Als iemand iets goeds zegt over een ander, een reactie geven in de geest van: ‘Het doet mij goed te horen dat u hem prijst, maar ik ben overtuigd dat u ook andere kanten van hem kent’. En als de ander dan verbaasd kijkt, voortgaan met: ‘Ik wil niet graag de eerste zijn die u dit vertelt, maar als u nog een tijdje leeft zult u het nog van honderd anderen horen, maar…’”

De geestdrift over de brille en de versheid van deze 600 jaar geleden neergepende woorden rinkelt door Van Oostroms huiskamer in Delft. Voor het achterraam hangt een slinger met vlaggetjes waarop de uitgeverij het wapen en de in minuskels geschreven naam van Jan van Brederode heeft laten drukken. Aan het eind van het gesprek zal hij op zijn computer een promotiefilmpje afspelen: de camera zweeft over een oude landkaart, een geharnaste hand pakt een zwaard, in vilt gestoken voeten lopen over plankier. Dan verschijnt de ondertitel van het boek: „Het onwaarschijnlijke maar waargebeurde verhaal van ridder Jan van Brederode”. Als de trailer voor een speelfilm. De schrijver glundert.

Er borrelt bescheidenheid en bravoure in Frits van Oostrom (64). Hij zegt dat, als hij alle boeken naast elkaar zou leggen waarin iets over Jan van Brederode staat: „dan durf ik wel te beweren: mijn boek is beter. Ja, er is vooruitgang in de wetenschap.” Maar hij zegt even stellig dat hem soms de schrik om het hart slaat als hij zich realiseert wat hij allemaal níet weet. De Middeleeuwen zijn volgens hem ongeveer even diep doorgrond als het heelal – „Daarvan hebben wetenschappers meen ik zo’n beetje 5 procent in kaart gebracht”.

De versheid van Brederode’s woorden maakt hem daarom niet alleen vrolijk, maar ook ongerust. „Ik houd me al 45 jaar dagelijks bezig met het Middelnederlands, en dan komt er zo’n passage die mij als wetenschapper in het hart treft. Ineens realiseer ik me: wat ken ik die taal nog slecht. De overgeleverde bronnen geven zo’n vertekend beeld. Het is of over 500 jaar maar één krant wordt teruggevonden, en dan maar een fractie van de edities. Wat zou je daar voor beeld van deze tijd en onze taal uit halen?”

Van Oostrom breidt zijn ongerustheid uit van zijn eigen onderzoek naar zijn discipline. „Wat zegt het over mijn vakgebied als één nieuwe vondst je beeld zo beslissend kan veranderen? Waar ben ik in mijn werk allemaal overheen gestapt? Niet omdat ik iets heb verdonkeremaand, maar omdat de bronnen ontbreken of nog niet gevonden zijn. We moeten maar hard doorzoeken. De mijnen zijn niet leeg. Er kan nog altijd nieuw materiaal gevonden worden, zeker in het buitenland.” Jan van Brederode was aan het eind van zijn leven een huurling, die kan overal hebben gewerkt en administratie achtergelaten, zoals de kwitantie voor zijn diensten die in Parijs is teruggevonden.

„Dus je begint bij een tekst die heel ver van je af staat. Over moraaltheologie, niet echt mijn favoriete genre. En van die tekst kom je bij de auteur, dan bij diens milieu, dan naar die wereld, dan naar het vak dat zich daarmee bezighoudt en uiteindelijk ook naar jezelf.” Van Oostrom lacht. „Geesteswetenschappen trekken melancholici aan – ik ben er ook een.”

Hebzuchtige schoonvader

Schilderij van Andreas Schelfhout (1787–1870): Landschap met de ruïne van kasteel Brederode te Santpoort, 1844. Foto Wikimedia Commons

Als een rechercheur reconstrueert Van Oostrom het leven van Brederode in strikte chronologie. Van zijn geboortedatum die om en nabij de 1372 moet liggen, tot aan zijn dood op 25 oktober 1415 op het slagveld bij Azincourt, een van de dieptepunten van de Honderdjarige Oorlog. En in die ruim veertig jaren er tussenin gaat Brederode, heer van een machtig slot in Santpoort, op pelgrimstocht naar een vagevuur-grot in Ierland, haalt hij zichzelf een hebzuchtige schoonvader op de hals die hem tot op de laatste cent uitkleedt, lukt het hem niet met zijn vrouw een kind te krijgen, treedt hij uit wanhoop of berekening in een kartuizer klooster in en treedt hij weer uit als de belangen van zijn familie daarom vragen. Want dat is de sleutel waarin Van Oostrom het leven van Jan van Brederode ziet: „Hij is een blad aan de stamboom van zijn familie.”

De Brederodes horen in die jaren tot de hoogste adel van het graafschap Holland en Zeeland, mede daarom is het aantal bronnen waarin Jan opduikt, relatief zo rijk. Hier is Van Oostrom bescheiden en dankbaar, zowel in zijn boek als in het gesprek. „Nobel streven kun je ook lezen als een ode aan het archiefonderzoek.”

In het boek staat Van Oostrom uitvoerig, met naam en toenaam, stil bij andermans werk, waarop hij voortbouwt. Tijdens het gesprek noemt hij ze „archiefratten”, zonder een spoor van minachting. „Ik heb nog nooit een document echt gevonden in een archief. Ik heb er het geduld niet voor. Maar ik weet wel hoe belangrijk het is. Mijn kracht zit in het synthetiseren van een hele hoop ongelijksoortige gegevens – dat is ook een vak. Als dat niet gebeurde, zouden we steeds over het oppervlak blijven scheren. Maar ik kan die ongelijksoortige gegevens alleen maar synthetiseren als ze er zijn en als ze deugen.”

Uitspraak over het geschil tussen Jan van Brederode en Jacob van Gaasbeek. Foto Het Utrechts Archief

Een van de Leidse leermeesters van Van Oostrom, de vorig jaar overleden handschriftdeskundige Peter Gumbert, vond in een handschrift in Utrecht „een microscopisch pootje”, zoals Van Oostrom het omschrijft. In de kantlijn stond de opmerking van een boze monnik over het uittreden van Brederode uit zijn orde. „Ik zou het nooit hebben gevonden. Ik zou er nooit naar hebben gezocht. En als ik het had zien staan, zou ik het niet hebben ontcijferd. Dat kan alleen een superspecialist.”

„Ik heb me nooit zozeer rechercheur gevoeld als nu”, zegt Van Oostrom. „Dat had alles te maken met de dichtheid van de gegevens. Meestal is het in de mediëvistiek zevenmijlslaarzenwerk.”

Zevenmijlslaarzen en de loep – twee instrumenten voor de mediëvist. En al te vaak is hij op de eerste aangewezen, zegt Van Oostrom. Het gevolg, schrijft hij in zijn boek, is „dat we het verleden onderschatten en het zoveel vlakker, simpeler en egaler voorstellen dan het is”. Zo complimenteus als Van Oostrom is voor zijn gespecialiseerde vakbroeders met de ouderwetse loep, zo streng is hij in Nobel streven voor de relatief nieuwe methode van big data. „Zij bundelt individuele gevallen tot data, waaruit zij vervolgens een patroon afleidt en bij voorkeur generalisaties – die dan op hun beurt grif worden teruggeprojecteerd op individuele gevallen. Het gevolg is een versimpeld beeld, waarin de grootste gemene deler gemakkelijk bedriegt.”

‘Meervoud van anekdote = data’

Munt uit Waalwijk, geslagen door Jan van Brederode. Tegenwoordig in beheer van de Nationale Numismatische Collectie. Foto Nederlandsche Bank

Aan tafel in de huiskamer is hij wat terughoudender dan op papier. „Bedoelde ik het als kritiek op big data? In elk geval had ik daarmee geen specifiek voorbeeld op het oog. In de Middeleeuwen zijn de bronnen zo schaars, daar zul je weinig big data-onderzoek zien. Bij mij zeggen ze vaak ‘N=1’. Dat is waar. Maar iemand zei me laatst: ‘Het meervoud van anekdote = data.’ Daar werd ik enigszins door getroost. Als je niet oppast – en dat heb ik wel gezien bij beslissers die vakinhoudelijk te weinig weten – raak je verliefd op de apparatuur als nieuw altaar. Maar ik dacht aanvankelijk dat de computer ons vooral zou helpen bij de tekstverwerking en meer niet. Dat was ook een grote vergissing.”

Hij vraagt zich hardop af: is een rechercheur altijd maar met één zaak tegelijk bezig? „Nee? Dan heb ik er nog meer bewondering voor. Je moet je enorm kunnen inleven – niet identificeren. Ik identificeer me helemaal niet met Jan, ik heb nooit van hem gedroomd of zo. Maar je leeft je wel in.”

Het een na laatste hoofdstuk van Nobel streven is een beknopte beschouwing over historisch onderzoek die alle studenten tot lering kan strekken. „Zaak is om de bronnen eerst per stuk te ijken en ze vervolgens met elkaar te confronteren en er ruim omheen te rechercheren”, schrijft hij. „In dat proces komt ook aan de verbeeldingskracht een taak toe.”

Umberto Eco en Hella Haasse

Inleven, de verbeelding, is „een gemoedstoestand die tijdens het onderzoek vrijwel permanent aanwezig is”, zegt Van Oostrom. „Het heeft te maken met concentratie. Elke wetenschapper kan je dit vertellen, van die inval die je krijgt als je op de tram staat te wachten. Ik ga nooit van huis zonder notitieblokje. En anders loop ik terug om het op te halen.”

De volgende stap van verbeelding, de stap van feit naar fictie, is niet voor hem, zegt hij beslist. Hij spreekt met ontzag over Umbert Eco – „Dat grenst aan het geniale.” Maar hij denkt niet dat hij het in zich heeft. „Dat is geen valse bescheidenheid. Ik heb genoeg aan de wetenschap en de non-fictie.”

Dan laat hij zijn verbeelding toch even vliegen. „Het zou me ongelooflijk interesseren wat iemand als Hella Haasse van het leven van Jan van Brederode zou hebben gemaakt. Ze zou natuurlijk meteen zijn vrouw Johanna meer reliëf geven. Daarbij vergeleken zou Nobel streven… – nou ja, een wetenschappelijk werk zijn.”