Recensie

Nieuwe roman Griet Op de Beeck biedt valse troost

Het beste wat we hebben lijkt een heiligdom voor eenduidige lijdzaamheid te zijn. Literatuur bevráágt, Griet Op de Beeck niet.

Illustratie Paul van der Steen

Seksualiteit en kinderen in één zin, het maakt ons uiterst ongemakkelijk. En wat ons ongemakkelijk maakt, laat zich doorgaans goed in de literatuur onderzoeken. Evenals dat wat voor heilig doorgaat. Denk aan Tijger, tijger van Margaux Fragoso, waarin een jonge vrouw verslag doet van een relatie die begint als ze als zevenjarig meisje als geliefde wordt benaderd door een 51-jarige man. De schrijfster nadert en bevraagt de grenzen van de begrippen dader en slachtoffer. Ze doet verslag van de pijn van de ambiguïteit rond de machtsverhoudingen tussen kind en volwassene. En dwingt ons niet weg te kijken. Van dat wat we niet willen weten.

Het beste wat we hebben van Griet Op de Beeck (1973) is van een andere orde. Ze opent met motto’s van Rilke én Auster, over weggestopt verdriet dat tot sterven leidt en dat we de wereld beter dienen achter te laten dan we haar vonden. Waar een bladzijde verder nog dit aforisme op volgt: ‘Wat wordt gewist blijft even waar.’ Mij bekroop bij deze levenswijsheden de vrees een heiligdom te betreden, dat lijkt opgericht voor de eenduidige lijdzaamheid.

Hoofdpersoon Lucas is een 43-jarige rechter, die stilvalt. Hij komt op een ‘notoire zelfmoordbrug’ terecht, maar besluit niet te springen. In plaats daarvan wil hij ook anderen behoeden voor de sprong. Hij koopt een huisje op de brug en wordt er zelfmoordwachter. In zijn leven heeft hij te maken met een archetypische dominante echtgenote, die op agressieve naaldhakken en met een haaierig talent voor zaken en uiterlijkheden de liefde onmogelijk maakt.

Van zijn voormalige carrière zag hij de zin niet langer in. Hij was rechter geworden ‘uit idealisme’. Hoe hij over het recht denkt, geeft goed weer op welke wazige wijze Op de Beeck handelt in simplificaties: ‘Macht is gevaarlijk, wist hij, maar als je haar aanwendt voor het goede, om onrecht te vermijden, om uitwegen te zoeken waar dat mogelijk is, dan kon het iets heel krachtigs zijn.’ Dit ‘goede’ is iets wat onomstotelijk vaststaat in het universum van Op de Beeck en het is dát wat maakt dat haar boek buiten het onderzoeksterrein valt waar in mijn ogen de literatuur opereert.

Onbegrepen Jezusfiguur

Lucas lijdt en ieder beeld ademt lijden. Wolken willen de lucht ontvluchten, een trein ‘wil als een worm terug de grond in kruipen’. Hij zet een muziekstuk op omdat ‘hoop en melancholie daarin samenkwamen’. Zelfs als hij een ei bakt, denkt hij aan de jong gestorven Rita, die ze zoveel beter bakte. En dan is er zijn zus Suzanne, die in een inrichting zit met een dissociatieve persoonlijkheidsstoornis. Als hij haar bezoekt, denkt hij: ‘Was de wereld maar zo lief voor haar geweest als zij voor de wereld.’

Lucas heeft iets weg van een door zijn directe omgeving onbegrepen Jezusfiguur, die levenswijsheden debiterend het goede leven brengt bij vreemde mensen. Zo helpt hij de elfjarige jongen Riley, die zijn moeder komt herdenken op de brug, en de 81-jarige Georgette die had willen springen uit liefde voor haar echtgenoot, om haar voortschrijdende alzheimer bij hem weg te houden. Lucas: ‘Ik begrijp hoe moeilijk het moet zijn. En toch, ik zie een prachtige vrouw die nog zo veel te bieden heeft.’ Zo kwam ik te denken: zal dit boek een snaar raken omdat we allemaal in het diepst van onze gedachten onbegrepen profeten zijn? Dat mechanisme zie ik in de literatuur graag uitgerafeld, en niet zalvend toegezongen.

Op de Beeck laat nergens misverstanden bestaan, die er in de werkelijkheid wél zijn. Haar boek gaat lijnrecht af op het seksueel misbruik in de familiegeschiedenis van Lucas. Laat genoteerd staan dat dit in het boek zelf besloten ligt: alles, alles, alles wijst ernaar. Als jong kind moet Lucas van zijn moeder naar copulerende konijnen kijken: ‘Zo maken mensen kindjes’, zei ze, ‘kijk maar eens goed, dan leert ge hoe dat gaat’. En: ‘Na een tijdje was hij er zeker van dat minstens één konijntje het niet leuk vond, want het maakte een soort piepgeluid.’ Riley spreekt over goudvissen ‘die zich perfect weten te herinneren welke grote vis hen heeft aangevallen’.

Rad voor ogen

Dit alles maakte dat ik snakte naar het volle leven, naar het tintelende, onverwachte, levensgevaarlijke, hoekige, beschamende, ademende leven. Weg van de opgediste droefenis, weg van de tergend smalle, gerecyclede beelden die aanhoudend zichzelf bevestigen, in een boek dat goed en fout predikt alsof morele ambiguïteit niet bestaat. Het is in het leven geroepen om deze boodschap over te brengen: als u laat zien wie u (denkt dat u) bent, zult u verlossing vinden.

Dat er zoiets als verlossing bestaat, is het rad voor ogen waar we allemaal recht op hebben. En welk rad ons verlost, verschilt nogal per mens. Een literatuur die zich daarvan niet bewust lijkt, is een literatuur die ik wil wantrouwen. ‘Mensen in hoge nood maken hun eigen verhaal’, stelt Lucas. Daar wil ik bij noteren dat álle mensen hun eigen verhaal maken.

Griet Op de Beeck lijkt met Het beste wat we hebben te impliceren dat hoge nood is uit te bannen of zelfs te voorkomen. Dat wil ik valse troost noemen, een onwaarheid.