Cultuur

Interview

Interview

Foto’s Merlin Daleman

Ineens was hij eigenaar van een bandjesfabriek

Ondernemen Thomas Baur (36) is gek van oude geluidsdragers. Onlangs kocht hij een cassettebandjesfabriek, de laatste in de Benelux. „Als ik de productie over een paar jaar kan verdubbelen, ben ik heel blij.”

Eerlijk is eerlijk: toen Thomas Baur de cassettebandjesfabriek voor het eerst zag, viel het hem een beetje tegen. Van tevoren had hij gedacht, of toch in elk geval gehoopt, dat het een enorme fabriekshal zou zijn. Tientallen machines zag hij in zijn verbeelding voor zich. „Reusachtige apparaten waar aan de ene kant iemand plastic korrels ingooit, en er aan de andere kant cassettebandjes uitkomen.”

In feite blijkt de fabriek te bestaan uit niet veel meer dan één machine. De loader, zoals het apparaat wordt genoemd, is ongeveer zo groot als twee op elkaar gestapelde kopieermachines. Dan zijn er nog een compressor, een vacuümpomp en een kast met 52 cassettedecks. Het past allemaal in een klein kamertje.

Voordeel van deze tegenvaller: Baur kan zijn ‘bandjesfabriek’ in één middag verhuizen. Busje huren, één keer op en neer rijden naar het Overijsselse Wierden en de spullen uitladen op een bedrijventerrein in Lochem. Binnen een halve dag is het gepiept. De 36-jarige Thomas Baur – voorheen reparateur van wit- en bruingoed – is eigenaar van de laatste cassettebandjesfabriek van de Benelux.

Als Kees over tonnen was begonnen, had ik hem vriendelijk bedankt voor de koffie

Het wonderbaarlijke verhaal van Baur en zijn fabriek begon met een berichtje van een vriend, die hem wees op een verhaal in de VPRO Gids. Een interview met Kees van Dorth, eigenaar van cassettebandjesfabriek Duplicase. Het cassettebandje is bezig aan een heropleving, vertelt Van Dorth. In 2014 maakte Duplicase – eind jaren tachtig goed voor 400.000 bandjes per jaar – nog slechts 2.000 cassettes. Maar in 2015 waren dat er 10.000, en vorig jaar 15.000. Er is één probleem: Van Dorth is druk met de aanleg van een zonne-energiepark en wil van zijn fabriek af. Hij zoekt een opvolger.

Drie dagen later zit Baur bij Van Dorth aan de koffie. Hij is nerveus, vooral omdat hij geen idee heeft wat zo’n fabriek moet kosten. „Als Kees over tonnen was begonnen, had ik hem vriendelijk bedankt voor de koffie”, vertelt hij. „Dan waren we snel uitgepraat.”

Foto Merlin Daleman

Om tonnen blijkt het niet te gaan. Baur betaalt „enkele tienduizenden euro’s”, in termijnen. Hij hoopt het te kunnen financieren uit de opbrengsten van de fabriek. Het bedrijfspand huurt hij met behulp van „leningen in de privésfeer” en wat spaargeld. „Laat je boekhouder het wel even nalezen”, zegt Van Dorth bij het afscheid. Maar Baur weet het dan al lang: de deal is beklonken.

Weinig mensen in Nederland weten zo veel van oude geluidsdragers als Thomas Baur. Op zijn zesde haalde hij kapotte radio’s uit elkaar. Wanneer zijn liefde voor oude apparaten precies is ontstaan, weet hij niet. „Ik denk dat ik ermee ben geboren.”

Op zijn twaalfde ontdekt Baur dat hij niet alleen apparaten uit elkaar kan halen, maar ze ook kan repareren. Rond zijn twintigste begint hij een aardig zakcentje aan zijn hobby te verdienen. Platenspelers, bandrecorders, luidsprekerboxen: Baur repareert „eigenlijk alles wat oud is en geluid maakt”. De meeste spullen stammen uit de jaren zeventig. Ze zijn gemaakt van hout en metaal, met „glimmende knopjes en randjes van chroom”. Niet „de plastic troep die nu bij de MediaMarkt ligt”.

Zijn hobby neemt steeds meer tijd en ruimte in beslag. Baur bouwt zijn garage om tot werkplaats. In 2009 begint hij een webwinkel. Vier jaar later zegt hij zijn baan op, omdat hij „te weinig tijd overhield voor zijn hobby”. Baur stort zich fulltime op het repareren van vintage audio. Zijn inkomsten zijn gehalveerd. Maar spijt heeft hij geen seconde gehad.

Foto Merlin Daleman

Een dom apparaat

In een cassettebandjesfabriek worden eigenlijk geen cassettes gemaakt, en ook geen bandjes. De plastic cassettes komen uit een Italiaanse fabriek. De band wordt in ronde spoelen aangeleverd, voornamelijk uit China. Het enige wat de machine doet, is zorgen dat de geluidsband in de cassettes komt. Goed beschouwd is het een nogal dom apparaat”, zegt Baur.

Wel een apparaat met een gebruiksaanwijzing, blijkt tijdens een demonstratie. Nadat Baur op een paar grote blauwe knoppen heeft gedrukt, komt er een enorm kabaal uit de machine. Eerst een luid gesis, gevolgd door een schelle zoem die doet denken aan een tandartsboor. Als daarna een oorverdovend geratel begint, rollen de bandjes een voor een uit het apparaat. Baur begint te glimlachen. Totdat de machine nog harder begint te sissen.

Tssssssjjjjjjjj. Plots is het stil.

„Ho”, zegt Baur. „Dit klopt niet, hoor.”

Hij snelt naar het apparaat. „Wat ben je nou allemaal aan het doen, jongen?” Baur drukt in rap tempo een paar knoppen in. En ja hoor, daar begint de harmonie weer. Gesis, getjak en de tandartsboor. Een paar seconden later rolt er weer een cassette van de band.

„Knip, hoppa!”, zegt Baur opgetogen. „Als-ie eenmaal loopt, gaat-ie hoor.” Hij vervolgt: „We zijn nog bezig elkaar beter te leren kennen, het apparaat en ik.”

Het klantenbestand van Duplicase is meeverhuisd naar Lochem. De meeste klanten willen zo’n honderd bandjes. Ze kosten ongeveer 1,50 euro per stuk. Meestal komt daar nog een paar euro bij voor de bedrukking. Het cassettebandje is een gadget geworden. Hoe het eruitziet, is voor veel klanten belangrijker dan het geluid.

De bandjesfabriek is niet alleen de enige in de Benelux, maar ook een van de laatste in Europa. In Duitsland staat nog één fabriek, in Engeland zijn er nog een stuk of drie. Dat is wat er over is van de Europese cassettebandjesindustrie.

Baur gaat zijn bandjes vooral op de sociale media promoten. Wat hij hoopt? „Als ik die 15.000 bandjes over een paar jaar kan verdubbelen, ben ik heel blij.” Maar, benadrukt de kersverse bandjesmaker, dat is natuurlijk niet waar het uiteindelijk om gaat. Je koopt geen cassettebandjesfabriek om er rijk van te worden.

Waarom wel? Baur lacht. „Omdat het kan.”

„En”, zegt hij na een korte stilte, „omdat ik het gaaf vind. Super- supergaaf.”