‘Ik gaf een bijtende hond een keer een iets te harde schop’

De eerste baan

Van krantenjongen tot Denker des Vaderlands. Zijn hele jeugd lang bracht filosoof René ten Bos (58) dagbladen rond in Hengelo-Zuid.

Foto Bram Budel

‘Zeg, wil je wat geld verdienen?’ René ten Bos was twaalf jaar oud toen een Molukse jongen hem op die manier aansprak bij de speeltuin in Hengelo. Dat wilde hij wel. „Ik kom uit een arm gezin, dus ik heb het belang van geld nooit onderschat”, vertelt Ten Bos veertig jaar later.

Al pratend doet hij voor hoe hij een krant met één hand opvouwde en door de brievenbussen schoof. „Ik besefte al vroeg dat ik het niet van het zakgeld van mijn ouders moest hebben. En ook hoe fijn het was een nieuwe broek te kunnen kopen, wanneer de oude versleten was.”

Kan ik hier nu nog voor vervolgd worden?

De professor

Zes dagen per week bracht Ten Bos kranten rond – ’s ochtends vroeg De Telegraaf in de rijke buurten en ’s middags het Hengelo’s Dagblad. Op school lag hij in de les vaak te slapen, zijn onderarmen zwart van de inkt. Twee tientjes verdiende Ten Bos er per week mee, maar hij verdubbelde zijn inkomen door reservekranten te verkopen aan ‘zwarte’ abonnees. „Vooral op maandag waren er veel mannen die toch wel graag wilden lezen wat er in het weekend op de sportvelden was gebeurd.” Op zijn gezicht verschijnt een ondeugende glimlach. „Kan ik hier nu nog voor vervolgd worden?”

Vergeleken met zijn klasgenoten was hij opeens rijk. Ten Bos kocht grammofoonplaten en boeken van zijn salaris. In die tijd was hij al gegrepen door de grote levensvragen, waardoor hij op straat geregeld ‘de professor’ werd genoemd. Hij had altijd wel een boek van Nietzsche of Kierkegaard bij zich. Al rondfietsend wist Ten Bos fijne plekjes te vinden, waar hij tussendoor een sigaret of joint opstak. Ook sprak Ten Bos af met een andere krantenjongen, die nog steeds zijn beste vriend is. „Toen hij het me niet kwalijk nam dat ik stopte met blowen omdat ik er hartkloppingen van kreeg, bleek hij een ware vriend.”

Foto Bram Budel

Solidair met de krantenjongens

Het was wel belangrijk dat de kranten voor zes uur ’s avonds bezorgd werden. „Anders hadden de abonnees recht om te klagen en kreeg ik de volgende dag een reprimande.” Nog altijd voelt Ten Bos solidariteit met de krantenjongens („waarom zijn het eigenlijk altijd jongens?”), die hem nu de kranten bezorgen. „Aan het einde van het jaar geef ik ze altijd een dikke vette fooi.” Want hij kan er nu wel romantisch over vertellen, dat baantje had hij enkel voor het geld.

„Het was gewoon zwaar kut om door weer en wind te fietsen, helemaal wanneer je band lek ging of je kranten in brand werden gestoken door een stel onverlaten.” En dat vroege opstaan iedere ochtend… soms kwam hij direct door vanuit de kroeg. „Dan waren er ook nog honden die me aanvielen zodra ik het tuinhekje opendeed.” Een keer werd hij zó hard gebeten dat hij de hond een iets te harde schop gaf. „Daar heb ik nu wel spijt van.”