Nederland is heel goed in friet

Interview directeur Agrico

Aardappelveredelaar Jan van Hoogen ontwikkelt rassen voor de massa, maar ook niche-aardappelen.

Foto Robert F. Bukaty/AP

De pieper heeft het zwaar. Pasta en rijst zijn geen exoten meer, maar volledig ingeburgerd op het bord. Nederlanders zijn in vijf jaar tijd bijna 20 procent minder aardappels gaan eten. Alleen dat al is een reden om de aardappel een opkontje te geven, zoals deze zaterdag gebeurt op het Aardappelfeest in het Groningse Hornhuizen.

Een van de gasten op het Aardappelfeest is Jan van Hoogen. Hij was in 1988 één weekend BN’er toen hij bij het televisieprogramma Wedden, dat..? honderd aardappelrassen bij naam kon noemen – hoewel hij nu wel durft te bekennen dat het bij het proeven hielp dat hij de kiemen erbij zag.

Jan van Hoogen, directeur Agrico. Foto Pim van der Maden

Van Hoogen werkte toen nog bij het Rijksinstituut voor rassenonderzoek in Wageningen. Inmiddels is hij directeur van aardappelcoöperatie Agrico, dat voor telers over de hele wereld rassen ontwikkelt. Met vorig jaar een omzet van 290 miljoen euro.

Als je hem vraagt wat dé aardappel voor de komende winter wordt, noemt hij geen hapklare piepers, maar legt hij uit wat het verschil is tussen de ontwikkeling van een nieuwe aardappel en een nieuwe modecollectie. Het duurt jaren, soms tientallen jaren, voordat je een aardappelras hebt dat commercieel interessant is.

Hij is zelf nogal verguld met de Carolus – vernoemd naar de zestiende-eeuwse botanicus Carolus Clusius die de aardappel voor het eerst beschreef en verspreidde in Europa. In de jaren zeventig ging een Wageningse expeditie voor deze pieper in de Andes al op zoek naar wild materiaal, vertelt Van Hoogen. Maar een aardappel die het rond de evenaar goed doet, is niet per definitie geschikt voor Nederlandse teelt. Hij is het eigenlijk per definitie niet: een aardappel uit de Andes is een kortedagplant. Als je die zomaar in de Hollandse klei zet, met meer daglicht, brengt hij niets op.

Wat de veredelaar dan doet, is kruisen met andere rassen en weer terugkruisen met het Andes-piepertje met z’n rode oogje, en nog een keer, jaar na jaar, net zo lang tot hij genoeg opbrengt en nog steeds z’n beste oorspronkelijke eigenschappen heeft. Intussen is hij mooi egaal van vorm geworden en zijn de oogjes wat minder diep. Want knoestige piepers met holle ogen, die koopt niemand.

De weg naar een nieuw ras, van de eerste kruising tot de handel, is één grote afvalrace, legt Van Hoogen uit. Het vraagt om een schot hagel en een lange adem. „We beginnen met 300.000 rassen. Het eerste jaar gooi je al 90 procent weg. Na vijftien jaar zijn er misschien twee of drie die de eindstreep halen.”

En dan is vijftien jaar een gemiddelde, met de Carolus zijn de veredelaars bijna veertig jaar zoet geweest. Van Hoogen vindt de Carolus desalniettemin een voorbeeldpieper. „Hij is heel sterk. En als we iets willen voor de toekomst zijn het rassen die resistent zijn tegen fytoftora, aardappelziekte. Als je ziet dat nu 80 procent van de middelen die telers gebruiken, voor schimmelbestrijding is – dat moet omlaag kunnen. Vooral in landen waar ze veel minder precies spuiten, zoals in Afrika, kan een resistente aardappel veel milieuwinst opleveren. We zijn met dit ras begonnen voor de biologische markt, maar de reguliere teelt kan ook veel duurzamer.”

Friet

Jan van Hoogen eet zelf thuis graag een Agria, „omdat-ie zo mooi geel kleurt op het bord”. De Agria dicht de kloof tussen de vastkoker en de kruimige aardappel – je kunt ’m bakken, koken en pureren. Hij is vooral ideaal voor friet, omdat hij weinig vocht bevat en zetmeel zuinig in suiker omzet, waardoor de friet niet bruin wordt maar goudgeel kleurt.

Aardappel Agria
Beeld Agrico
Aardappel Carolus
Beeld Agrico
De aardappels Agria en Carolus
Beeld Agrico

Onderschat het belang van friet niet. „Nederland is heel goed in friet. We verwerken jaarlijks 4 miljoen ton aardappelen tot 2 miljoen ton friet. 90 procent daarvan wordt geëxporteerd. Dan begrijp je dat mijn droom een fytoftoraresistente frietaardappel is.”

Waar het zoeken enerzijds is naar de beste bulkaardappel, werken de veredelaars aan de andere kant aan bijzondere niche-aardappelen. Een aardappel van een oud ras, een aardappel speciaal voor de barbecue, of een aardappel met een lagere glycemische index (die aangeeft hoe snel koolhydraten de bloedsuikerspiegel laat stijgen). Die aardappel bestaat, zegt Van Hoogen. Het klinkt als een gat in de markt; veel consumenten letten op koolhydraten. Maar helaas voor de producenten mag het niet op de verpakking staan. Niet alleen vanwege de strenge regels voor gezondheidsclaims, ook omdat aardappelen een levend product zijn. Hoe langer hij ligt, hoe meer zetmeel hij omzet in suiker, hoe hoger de glycemische waarde. „Het is niet eenvoudig om vaste waarden te garanderen.”

Van Hoogen kan uren praten over zetmeelstructuren, drogestofgehaltes en voedingswaarden. Van hem hoor je dat de aardappel ook rijk is aan kalium, vitamines C en B6, vezels, eiwit en foliumzuur. Hij wordt net zo enthousiast van een nieuwe salade-aardappel voor de grote Duitse markt, als van een bijzonder aardappeltje dat van binnen rood of oranje is, en dat in kleine volumes in de winkel ligt. Als Van Hoogen boodschappen doet, kan hij het vaak niet laten college te geven bij het aardappelschap. Over dat oranje-rode piepertje: „Je kunt er ook chips van maken. En hij is rijk aan antioxidanten.” Van Hoogen bedacht zelf de naam: Andean Sunside.

Zaterdag 7 oktober is in het Groningse Hornhuizen het Aardappelfeest, georganiseerd door vrijwilligers. Met eten, cultuur en sprekers, onder wie Jan van Hoogen.