Recensie

Het gelijk van de jarige historicus

H.L. Wesseling zag al tijdens zijn reizen als student hoe de wereld wordt geleid door halve garen.

De Leidse historicus H.L. Wesseling werd in augustus tachtig. En wat deed zijn uitgever Mai Spijkers? Die gaf als teken van zijn bewondering voor zijn auteur een feestbundel uit: Een tachtiger. Een hommage aan H.L. Wesseling. Ik ontving het boek vorige week onverwacht per post en voelde me een uitverkorene, omdat je het niet in de boekhandel kunt kopen. En dat is jammer, want er staat veel behartigenswaardigs in, zowel voor elke historicus die overweegt ooit nog eens een geschiedenisboek te schrijven als voor de mensheid in het algemeen.

Als kenner van de Westerse koloniale geschiedenis beschikt Wesseling over een groot talent: hij kan goed relativeren en heeft een heldere pen, die hij met gevoel voor ironie hanteert. Dat relativeren is een verademing in deze tijd, waarin je je als leek nergens mee durft te bemoeien wanneer je geen grote mond terug wilt krijgen. Zo schrijft Adriaan van Dis in zijn bijdrage ‘Een heer van afstand’ dat Wesseling de verschrikkingen van het koloniale verleden weliswaar erkent, maar als historicus niets wil weten van ‘doorgegeven’ pijn en slachtofferschap. Verontwaardiging en morele oordelen tref je in zijn boeken dan ook niet aan. Het gaat om de feiten en het waarom. Aan generalisaties, zoals activisten die hanteren, heeft hij een hekel. Van Dis ontleent er ‘de troost van de betrekkelijkheid’ aan.

Wesseling heeft zich die houding eigengemaakt dankzij een combinatie van feitenkennis, belezenheid en levenservaring. Zo maakte de latere hoogleraar als student enkele grote zeereizen als Bediende Algemene Dienst om zich tijdens het passagieren over onbekende werelden te verbazen.

Wesselings belangrijkste wapen is misschien wel zijn voorkeur voor de rol van het individu en diens gedachtekronkels, zoals Willem Otterspeer in zijn bijdrage uitlegt. Als voorbeeld daarvan haalt elders in de bundel Martin Bossenbroek Wesselings omschrijving aan van de Franse minister van Buitenlandse Zaken Hanotaux, de hoofdverantwoordelijke voor het Brits-Franse Fashoda-incident in 1898. ‘Zijn karakter was onevenwichtig. Hij leefde van stemmingen, emoties, invallen en depressies. Op belangrijke momenten miste hij besluitvaardigheid en oordeelsvermogen. Hij vond tijdens een nachtelijke droom de oplossing voor alle problemen van Europa. Die oplossing bestond uit de opdeling van het Britse rijk. Wat ernstiger was, hij werkte dit idee de volgende dag uit tot een plan dat hij wilde voorleggen aan de Franse president.’

Als je zoiets leest besef je dat het in 1898 maar weinig had gescheeld of het was tot een oorlog tussen Frankrijk en Engeland gekomen. En wat nog erger is: de wereldpolitiek wordt nog steeds door zulke halve garen beheerst.

Treffend is ook Wesselings kijk op generaal Kitchener, de Britse tegenspeler in het Fashoda-incident: ‘Kitchener was de koele leider en grote organisator, maar ook een man met vreemde uitbarstingen en woedeaanvallen [...] Zijn snor was immer perfect getrimd en zijn uniform smetteloos, maar zijn kantoor was een chaos.’

Na lezing van dit alles begrijp ik dat u naar de boekhandel wilt snellen om deze feestbundel met net zoveel genoegen te lezen als ik heb gedaan. Maar daarvoor zult u toch eerst Mai Spijkers moeten bellen, die ik bij deze dank voor zijn mooie geschenk.