Gratis kunst die stiekem toch 1,5 miljoen kost

Stedelijk Museum

Het Stedelijk Museum in Amsterdam legt weinig verantwoording af als het gaat om nevenfuncties, geldbedragen, mogelijke belangenverstrengeling.

Beatrix Ruf Roger Cremers

Een cadeau waarvoor de ontvanger 1,5 miljoen euro moet betalen aan de schenker. Een cadeau bovendien met verplichtingen en boeteclausules als de ontvanger in gebreke blijft. Wat voor geschenk is dat?

In trotse bewoordingen maakte het Stedelijk Museum Amsterdam op 29 juni 2016 bekend zeshonderd kunstwerken cadeau te hebben gekregen van de Duitse verzamelaar Thomas Borgmann. Schilderijen, installaties, collages, sculpturen, foto’s en films gemaakt door achttien kunstenaars die sinds de jaren negentig internationaal doorbraken. De bekendste namen: de Schotse Lucy McKenzie en de Duitse fotograaf Wolfgang Tillmans. Tegelijk maakte het museum bekend dat Borgmann ook tien kunstwerken van de Duitse coryfeeën Isa Genzken en Martin Kippenberger in langdurig bruikleen had gegeven.

De Duitse artistiek directeur van het museum, Beatrix Ruf, reageerde opgetogen: „Ik ben heel trots en dankbaar dat het Stedelijk zo’n geweldige bijdrage voor de stad Amsterdam in de collectie kan opnemen.” Namens de gemeente bedankte ook wethouder Kajsa Ollongren „mijnheer Borgmann” hartelijk.

Thomas Borgmann (Hamburg, 1942), voormalig galeriehouder in Keulen, liet weten dat hij het museum sinds zijn eerste bezoek in de jaren zestig op de voet had gevolgd. „Met de schenking wil ik mijn hechte band met het Stedelijk Museum en Beatrix Ruf onderstrepen.” Wat onder die hechte band met de directeur moet worden verstaan, daarover volgde geen uitleg. Borgmann leeft in Berlijn en wil geen vragen beantwoorden. Ruf zegt desgevraagd dat zij Borgmann regelmatig tegenkomt op beurzen en dan „goede inhoudelijke gesprekken” met hem heeft.

Niet alleen schenking

Hoe hecht de verstandhouding met het Stedelijk en Ruf ook is, het weerhield Thomas Borgmann er niet van stevige eisen aan zijn gift te verbinden. Dat blijkt uit de drie contracten die door advocatenkantoor CMS Hasche Sigle zijn opgesteld, en die op 30 april 2016 zijn ondertekend door Borgmann en Beatrix Ruf – en niet door Karin van Gilst, de toenmalige zakelijk directeur van het Stedelijk.

Anders dan het museum bij herhaling verkondigde, gaat het niet alleen om een schenking. Het Stedelijk betaalde voor zes werken van Michael Krebber (Duitsland, 1954) 125.000 euro per stuk en voor een groot werk van Matt Mullican (VS, 1951) 750.000 euro. Opmerkelijk hoge bedragen voor deze kunstenaars: van Krebber is pas één schilderij voor boven de 125.000 euro geveild. Het veilingrecord van Matt Mullican ligt op 32.000 euro.

Zonder de aankoop zou de schenking niet doorgaan, blijkt uit de contracten. Het museum moet het totaalbedrag van 1,5 miljoen euro in drie termijnen tot 2018 betalen. De schenker heeft zelfs boeteclausules laten opnemen. Als de werken, ook de bruiklenen, niet minstens twee maanden, beginnende met het Amsterdam Art Weekend in november dit jaar, worden geëxposeerd, en als daar geen catalogus bij verschijnt waarin alle zeshonderd geschonken kunstwerken worden opgesomd, moet het Stedelijk een boete van 250.000 euro betalen.

Vanaf 26 november, kondigde het Stedelijk onlangs aan, is de gehele eerste verdieping van de oudbouw vier maanden lang gereserveerd voor een tentoonstelling van de Borgmann-collectie.

Ondernemerschap

Een van de zes schilderijen van de Duitse kunstenaar Michael Krebber die het Stedelijk voor 750.000 euro kocht van verzamelaar Thomas Borgmann.

De overeenkomst met Borgmann is een voorbeeld van wat dezer dagen van museumbestuurders wordt verwacht. Namelijk dat ze ondernemerschap tonen en contacten zoeken met particulieren, galerieën, mecenassen en sponsoren. Zo kunnen bestuurders fondsen werven die ten goede komen aan de collectie en het museum.

„Logisch en ook wenselijk” noemde het College van B&W van Amsterdam zulke ambities twee jaar geleden. Dat door die ondernemende houding soms ethische regels voor musea worden overtreden is niet erg, liet het stadsbestuur van Amsterdam weten, zolang die „vertalingen naar de eigen situatie” maar beargumenteerd in bestuursverslagen terechtkomen.

Bij Borgmann verzweeg het Stedelijk dat de Duitse verzamelaar 1,5 miljoen van het Stedelijk verlangde, een bedrag dat volgens diverse (oud-)stafleden jarenlang consequenties heeft voor het aankoopbeleid van het Stedelijk. Dat gebrek aan transparantie kreeg een vervolg in het jaarverslag: daar stonden de aankopen tot vrijdag evenmin in vermeld. Na vragen van NRC is deze ‘te betreuren fout’ aangepast.

Uit onderzoek van NRC blijkt dat het zeker niet de enige flater is die het Stedelijk beging. De nauwe banden met particuliere verzamelaars leidden vaker tot ‘vertalingen’ van ethische regels. En net als bij Borgmann is het museum daar allerminst open over. Daarmee schendt het museum afspraken met de gemeente.

Power 100

Het Stedelijk Museum zocht in 2014 een artistiek directeur met een groot internationaal netwerk. Aan die kwalificatie voldeed Beatrix Ruf ruimschoots. Al jaren figureert de Duitse hoog in de ‘Power 100’ van het tijdschrift Art Review, de lijst van meest invloedrijke personen in de wereld van de hedendaagse kunst.

Wie de tentoonstellingsprogramma’s van de Kunsthalle Zürich, Rufs vorige werkgever, en die van het Stedelijk naast elkaar legt, en door de bijbehorende catalogi bladert, kan zien dat Ruf trouw is aan een select gezelschap kunstenaars, galeriehouders, verzamelaars en sponsoren. Zeven kunstenaars die recent in het Stedelijk een grote tentoonstelling hadden, exposeerden eerder onder Rufs leiding in Zürich. Ook de namen van de galeriehouders Daniel Buchholz, Gisela Capitain en Francesca Pia, de verzamelaars Maja Hoffmann en Michael Ringier en architect Rem Koolhaas duiken steeds weer op. Op velerlei wijzen is Ruf met hen gelieerd. Ze zitten samen in besturen, spreken op dezelfde forums en werken nauw samen.

Van die samenwerkingen profiteert het museum ongetwijfeld. Maar Rufs nauwe banden met private partijen roepen ook vragen op. Over mogelijke belangenverstrengeling. En over de noodzaak van transparantie van bestuur.

Ruf heeft naast haar directeurschap zo’n twintig nevenactiviteiten, variërend van jurylidmaatschappen tot bestuurs- en adviesfuncties, ook voor private partijen. In het laatste jaarverslag van het museum ontbraken die nevenfuncties. Nog een fout, zei het museum, dat vrijdag ook op dit punt het jaarverslag aanvulde.

Op de lijst van nevenactiviteiten die het Stedelijk vervolgens stuurde, ontbreekt de naam van de Zwitserse uitgever Ringier. Curieus, want op 22 maart 2016 tekende Ruf als bestuurder van JRP Ringier Kunstverlag AG nog een document bestemd voor het handelsregister in Zürich. Uit andere documenten blijkt dat zij ook in 2015 aan Ringier was verbonden. Volgens Ruf betreft het „een administratieve fout”.

Beatrix Ruf

Roger Cremers

Hoe het ook zij, in een interview met de Volkskrant zei Ruf in 2014 dat ze al twintig jaar voor Ringier werkte en niet van plan was daarmee op te houden. In de recente catalogi van het Stedelijk duikt de naam van Ringier regelmatig op. Bijvoorbeeld als de uitgever van de tentoonstellingscatalogus van Magali Reus, en als bruikleengever bij de expositie van Seth Price.

Het gebeurt vaker dat Ruf kunstwerken exposeert van private partijen waaraan zij verbonden is. Bijvoorbeeld van Maja Hoffmann, een Zwitserse verzamelaar die ze helpt met haar plan voor een privé-museum in het Franse Arles. En onder Rufs leiding heeft het Stedelijk ook bij herhaling kunst tentoongesteld afkomstig van twee leden van de raad van toezicht van het museum, namelijk van Rob Defares en Cees de Bruin, twee zeer vermogende verzamelaars.

De betreffende kunstwerken krijgen daardoor museale status, een voordeel waarvan de bruikleengevers bij verkoop baat kunnen hebben. Het lijkt erop dat de Zwitserse kennis van Ruf die vorig jaar een (naar hij wist valse) ‘Mondriaan’ aan het Stedelijk in bruikleen gaf, uit was op die museale status. Hij hield voor het Stedelijk verborgen dat hij met een veilinghuis afspraken maakte over een verkoop direct na de bruikleen (die overigens werd afgebroken toen het museum ontdekte dat het om een vervalsing ging).

Desgevraagd zegt Ruf dat zij altijd toestemming vraagt aan de raad van toezicht als zij kunst leent van een private partij waarmee zij banden heeft. Ruf zegt ook dat de raad van toezicht altijd toestemming heeft gegeven om kunstwerken te exposeren van leden van de raad.

„Ja, dank je de koekoek”, reageert het Amsterdamse raadslid Marcel van den Heuvel (D66) als hij hoort van deze manier van beslissen. „Als meerdere leden bruiklenen verschaffen, heb je al gauw een meerderheid.”

Principes en aanbevelingen

In het jaarverslag van het Stedelijk staat dat de principes en aanbevelingen van de Governance Code Cultuur, een richtlijn voor goed bestuur en toezicht in de cultuursector, „verankerd zijn in de dagelijkse praktijk”. Afwijkingen van de ethische regels belooft de raad van toezicht toe te lichten. Maar nergens in het jaarverslag is sprake van een beargumenteerde afwijking. „Het Stedelijk onderschrijft en voldoet aan de code”, zegt Ruf.

Op de vraag hoe het dan zit met bijvoorbeeld de kunstwerken die zij leent van haar zakelijke relaties en leden van de raad van toezicht, antwoordt Ruf dat langdurige bruiklenen in het jaarverslag worden „genoemd”, zonder argumentatie dus. Kortdurende bruiklenen voor tentoonstellingen blijven onvermeld.

Het Stedelijk is sinds 2006 verzelfstandigd. Sindsdien controleert de gemeente, met 12 miljoen euro per jaar de belangrijkste subsidiënt, het museum niet meer rechtstreeks. Toen Museum Overholland, waarachter verzamelaar Christiaan Braun schuilgaat, direct na de benoeming van Beatrix Ruf in een serie advertenties in landelijke kranten de raad van toezicht van het Stedelijk en de nieuwe directeur van belangenverstrengeling beschuldigde, werden in de herfst van 2014 vragen gesteld aan het College van B&W.

Uit de antwoorden bleek dat de Museumvereniging over de advertenties met het Stedelijk had gesproken. Op alle punten die Braun noemde, had het Stedelijk „vertalingen” van de ethische regels gemaakt. Maar die kon het museum goed beargumenteren. Dat wees, volgens de Museumvereniging, op een actieve naleving van de Ethische Code voor Musea.

Najaar 2014 publiceerde Museum Overholland vier advertenties in NRC waarin het Stedelijk Museum en Beatrix Ruf werden beschuldigd van belangenverstrengeling.

Maar op de vervolgvraag van raadslid Van den Heuvel (D66) of het college kon aangeven hoe vaak het Stedelijk in strijd met de code had gehandeld, en of die strijdigheden waren gecommuniceerd, bleef een concreet antwoord uit.

De controle op het beleid van het Stedelijk is toevertrouwd aan de raad van toezicht van het museum. Maar als leden van de raad zelf goedkeuring kunnen verlenen aan ‘vertalingen’ van de ethische principes waarbij zij zelf betrokken zijn, en daarvan geen rekenschap afleggen in hun bestuursverslag, hoe transparant is dan het museumbeleid? En een andere vraag: voldoet de Governance Code Cultuur nog wel in tijden van museaal ondernemerschap?

Ongewenste bij-effecten

Volgens Mijntje Lückerath, hoogleraar corperate governance en mede-opsteller van de Governance Code Cultuur, laat de code culturele instellingen vrij om eigen afwegingen te maken. Maar het is zeker niet de bedoeling, benadrukt zij, dat een raad van toezicht volstaat met het opnemen in het jaarverslag van de standaardbepaling dat ze afwijkingen zal toelichten.

Raden van toezicht doen er goed aan, zegt de hoogleraar, uitleg te geven over bijvoorbeeld besprekingen die gevoerd zijn over mogelijke belangenverstrengelingen bij bruiklenen of nevenactiviteiten van bestuurders. Lückerath: „Vaak gebeuren die met de beste intenties. Maar juist door transparant te zijn, kun je kritiek pareren dat de raad mogelijke ongewenste bij-effecten niet heeft onderkend.”

De nieuwe voorzitter van de raad van toezicht, Ferdinand Grapperhaus, denkt anders over het voorkomen van de schijn van belangenverstrengeling. In een e-mail aan NRC stelt hij dat bruiklenen van leden van de raad van toezicht alleen in jaarverslagen hoeven te worden toegelicht als volgens de raad sprake is van belangenverstrengeling. Volgens Grapperhaus „werd tot heden niet geoordeeld dat er sprake was van een belangenverstrengeling”.

Raadslid Marcel van den Heuvel oordeelt streng over het Stedelijk. Twee jaar geleden beloofde het museum volledige transparantie over ongebruikelijke praktijken, zegt hij. Op zich heeft hij er begrip voor als het museum om strategische redenen afwijkt van de governance-regels. Maar, zegt hij, dan moet daar wel melding van worden gemaakt. „Ik constateer dat het Stedelijk nu niet voldoet aan de codes en de afspraken.”

Reageren? onderzoek@nrc.nl