Geen plek voor flierefluiters

WK turnen

Nederland is al jaren bezig aan een opmars in het turnen. Op het WK in Montréal zitten de vrouwen in een dip, de mannen manifesteren zich met drie finaleplekken.

Epke Zonderland, Bart Deurloo en Bram Verhofstad in actie tijdens het WK in Montréal. Foto’s Robin van Lonkhuijsen/ANP en Jean-Yves Ahem/USA Today Sports

Zul je net zien, beleeft het Nederlandse turnen een opmars, gaat het deze week op de WK in Montréal mis met de vrouwen. Niet één finaleplaats, zelfs niet voor Sanne Wevers, de olympische kampioen op balk. Gelukkig hebben ‘we’ de mannen nog: drie stoere finalisten. Maar die uitglijers van de turnsters? Een incident, verzekert bondscoach Gerben Wiersma. De vooraanstaande plaats die turnend Nederland mondiaal heeft veroverd, is na één mislukt WK niet verspeeld. Een succesverhaal nader verklaard.

In de krochten van de olympische hal in Montréal, de Canadese stad waar de Roemeense turnster Nadia Comaneci op de Olympische Spelen van 1976 haar historische ‘10’ turnde, aanschouwt Paul Ziert met de armen over elkaar de hectiek in de mixed zone. De voormalige trainer van Comaneci’s echtgenoot en tweevoudig olympisch kampioen, Bart Conner, tegenwoordig uitgever van International Gymnast Magazine, ziet van een afstand hoe de Nederlandse turnsters na hun teleurstellende prestaties de pers te woord staan. Ziert vertelt even later een héél ander verhaal.

De 74-jarige Amerikaan prijst die Hollandse meiden regelrecht de hemel in. Dat zij op dit WK even iets minder presteren, ach, kan gebeuren. Hij herkent de wetmatigheid van een oprijzende Hollandse school. No worries, het komt wel weer goed met die vrouwen, oordeelt Ziert.

Nederland heeft goed begrepen dat de sleutel naar succes bij het team ligt.

Bart Conner, tweevoudig olympisch kampioen

„Weet je”, zegt hij met een flikkering in zijn ogen, „ik waardeer de intelligentie van de Nederlanders. Jullie interpreteren de turncode heel slim. De vrouwen brengen een artisticiteit die ik bij veel andere landen mis. Er is nadrukkelijk aandacht voor uitvoering en presentatie. De choreografieën op vloer zijn wonderful. De oefeningen worden aangepast bij de turnsters en niet omgekeerd, dat spreekt mij zo aan. De sport heet in het Engels niet voor niks artistic gymnastics. Nederland heeft bovendien goed begrepen dat de sleutel naar succes bij het team ligt. Die zevende plaats op de Olympische Spelen in Rio de Janeiro is een topprestatie en stuwt turnsters individueel omhoog. Zie het goud van Sanne Wevers. Een voorbeeld hoe kleine landen het moeten aanpakken. Neem Roemenië, ooit een groot turnland dankzij de teamgedachte. De laatste decennia turnen Roemenen als eenlingen en zijn successen spaarzaam.”

Team boven individueel belang

Bondscoach Wiersma herkent zich helemaal in de waarneming van Ziert, die goed heeft gezien dat Nederland vol op een team bij de Spelen heeft ingezet. Hij vertelt hoe vanaf 2013 het verdeelde, Nedelandse landschap van clubs, coaches en bestuurders zich verenigde voor dat doel, waarmee niet één maar vijf turnsters zich zouden kwalificeren. Vanaf dat moment ging het team boven het individu. Wiersma vond sterke medestanders in Vincent Wevers, de vader en trainer van tweeling Sanne en Lieke, en in Patrick Kiens, coach van het aanstormende talent Eythora Thorsdottir. Wevers voedde het team vooral met zijn technische kennis en Kiens was met zijn achtergrond als danser in musicals leidend bij de presentatie van de oefeningen.

Een analyse van Wiersma leerde dat naast een verbetering van het technische niveau de winst vooral in de uitstraling van de turnsters gezocht moest worden. Bij turnen wordt de score als volgt opgebouwd: de moeilijkheidsgraad van de oefening, de zogeheten D-score (difficulty), en de uitvoering van de oefening, de E-score (exercise), worden bij elkaar gevoegd. Salto, pirouettes en salto zo netjes mogelijk uitvoeren; dat werd het nieuwe mantra.

Lees meer over Eythora Thorsdottir: De turnster vertelt een verhaal, vol drama

Minder acrobatisch

Het resultaat is dat Nederlanders minder acrobatisch dan bijvoorbeeld de Amerikanen turnen en veel lichaamsexpressie in de strijd gooien. „Met die E-score zijn we specifiek aan de slag gegaan”, vertelt Wiersma, „want daar was winst te boeken. Ons handelsmerk moest de presentatie worden. Daarin speelde Kiens met zijn musical-achtergrond een voorname rol.”

Samenwerken en slim opereren, dat werden de nieuwe uitgangspunten, gebaseerd op een grondige analyse van de resultaten op internationale toernooi. Gesteund door Jitske Vasbinder, internationaal jurylid en topsportconsulent bij de turnbond KNGU, verzamelt Wiersma wereldwijd alle scores, van jeugd- tot seniorentoernooien. Op die manier krijgt hij een beeld van het internationale speelveld en kan hij vrij nauwkeurig becijferen welke scores nodig zijn om op de Olympische Spelen te geraken.

De bondscoach: „Voor ‘Rio de Janeiro’ hadden we uitgerekend dat 222.000 punten toereikend moesten zijn. Triple Two noemden we die doelstelling. Op het kwalificatiemoment, tjjdens de WK van 2015 in Glasgow bleek onze score van 222.354 zelfs genoeg voor rechtstreekse plaatsing. Een opsteker van jewelste, want daarmee hadden we geen rekening gehouden.”

Net even iets anders

Op soortgelijke wijze, maar toch net even iets anders, hebben de mannen hun weg naar de top gevonden. Ook daar werden de krachten in het daarvoor zeer verdeelde Nederlandse landschap gebundeld. Maar het was vanwege de wereldtitel aan ringen van Yuri van Gelder in 2005 en de olympische titel aan rek van Epke Zonderland in 2012 iets makkelijker iedereen van de noodzaak van samenwerking te overtuigen. De missing link bleek Mitch Fenner te zijn, de inmidels aan darmkanker overleden Brit die in 2013 aantrad als bondscoach. Zijn elan en zijn overtuigingskracht prikkelden de Nederlandse turners dusdanig dat zij voor het eerst als team de Olympische Spelen haalden. Dat deden ze via een extra kwalificatietoernooi.

In tegenstelling tot de vrouwen zoeken de mannen hun kracht vooral in de samenstelling van de oefeningen. Simpel gesteld: het niveau moest omhoog. Bram van Bokhoven, de nieuwe bondscoach, hanteert bij zijn selectie voor grote toernooien harde limieten. „Als de turners bereid zijn die confrontatie aan te gaan, krijg je fantastische resultaten”, zegt Van Bokhoven, die in de aanwezigheid van vier turners op de WK in Montréal en de plaatsing van drie van hen voor een finale zijn gelijk ziet bevestigd.

Vertrouw op eigen waarneming

Van Bokhoven laat zich minder obsessief leiden door internationale scores dan zijn collega Wiersma bij de vrouwen. Zijn redenatie: „Resultaten op papier worden geproduceerd door juryleden. Met alle respect, maar ik vertrouw liever op eigen waarneming. Ik wil zien hóe iemand turnt. Als een goede turner eens laag scoort door een val kan dat misleidend zijn voor zijn niveau. Wij als staf kijken vooral naar oefeningen en programma’s. Als er ergens ter wereld iets nieuws wordt gedaan, weten we dat snel. Een andere kracht is onze interpretatie van de turncode. Epke Zonderland is daar het beste voorbeeld van. Hij heeft met zijn vluchtelementen iets unieks gedaan.”

De toegenomen bewustwording van de Nederlandse turners, dat vindt Van Bokhoven de grote winst van de gezamenlijke aanpak in Nederland. „Er zijn geen flierefluiters meer. Die gasten kennen goed hun doelstellingen en vormen daardoor zo’n hecht team”, zegt de bondscoach. „Als iemand twintig jaar geleden had voorspeld dat Nederlandse turners tot de wereldtop zouden behoren, had iedereen gezegd: sodemieter op. Maar intussen heeft Nederland wel twee olympisch kampioenen. Als team behoort Nederland nog niet tot de topzes van de wereld, maar we zitten er wel heel dicht tegengaan.”