Column

Ersin Kiris kijkt met zelfspot naar toeristenoorden

Zap

Ersin Kiris speelt in Zuid-Afrika de westerse toerist én de journalist. Beide worden belachelijk gemaakt door een Afrikaanse voice-over.

Ersin Kiris als journalist in Ersin in Wonderland

De vierdelige reportagereeks Ersin in Wonderland (VPRO) begint in een Zuid-Afrikaanse scheerstoel, waar presentator Ersin Kiris van zijn baard wordt ontdaan. Dat is meer dan een kwestie van persoonlijke hygiëne: de scheerbeurt staat voor de twee gezichten die Kiris (met baardje bekend uit Keuringsdienst van waarde) in het programma heeft. Het gladde is dat van toerist, het harige is dat van journalist.

We zagen Kiris donderdagavond dubbel op reis: met glimmende wangen met Britse bijna-bejaarden op safari in het Kruger Park en met al zijn facial hair op zoek naar stropers aan de rand van datzelfde park. Om het meteen maar te verraden: het resultaat is voortreffelijk. Door de bijzondere vorm van het programma en door de uitstekende interviews die Kiris afneemt. Na afloop vraag je je verstoord af waarom dit programma niet wat langer mag duren dan een halfuur.

Kiris speelt met grote overgave de rol van naïeve safaritoerist; dan is hij een wandelende clichémachine. Ziet hij jonge leeuwtjes, dan roept hij dat hij ze wil knuffelen. Wanneer hij eindelijk een neushoorn te zien krijgt, kraait hij: „Zo groot!” En: „Met hoorns!” Hij rijdt zijn rolkoffer in de poep. Intussen klinkt montere, ouderwetse filmmuziek. De bespottelijkheid van het tafereel wordt extra aangezet door een voice-over die commentaar geeft in het Afrikaans. Deze kwalificeert de bezoeker als „zo blij als een kind in zijn kaki kleren” en schampert dat die toeristen toch ook wel weten dat de neushoorn door de jacht bijna is uitgestorven.

Die pseudo-lokale voice-over is een mooie vondst. Hij behandelt ook de journalist Kiris met groot dédain. Als de verslaggever (de ‘gewone’ Kiris, met baardje) naar een straatarm grensdorpje in Mozambique trekt waar veel stropers vandaan zouden komen, smaalt de Afrikaan: „Meneer de journalist zoekt naar de stereotype stroper. Hij denkt zeker dat hij gewoon met iedereen kan praten. Good luck with that.”

Het levert een humoristisch effect op – en een bite. Want al die verre oorden zitten óók niet te wachten op horden journalisten die even een hit and run itempje over stropers komen maken. Ersin in Wonderland gaat ook over journalistiek.

Jagen op stropers

In het Mozambiquaanse dorp is amper werk, behalve voor een trotse visser in een lekkende boot op het stuwmeer. Intussen hoef je maar over het hek te klimmen en je bent in Kruger Park. Kiris vindt er inderdaad geen stroper, men zegt alleen via via weleens iets te horen. Intussen zijn de korte gesprekken die de journalist voert, goed en scherp. Hij houdt zich een beetje van de domme, maar stuurt precies en onnadrukkelijk tot hij op iets interessants stuit. Een man zegt: „Je hoort het pas als iemand dood is, dat hij een stroper was.”

Dood? Ja, dood. Talloze stropers sterven in het park – en niet door de wilde dieren. Kiris bezoekt het trainingscentrum van de Park Rangers, die als paramilitairen de bewaking op zich nemen. De Park Rangers mogen niet als eerste schieten, maar ze schieten wel een stuk beter dan de stropers. Zo schetst Ersin in Wonderland een treurig beeld: van een schitterend natuurgebied waar de neushoorns worden opgejaagd door de stropers, op wie weer wordt gejaagd door de Park Rangers.

Tussendoor maken de toeristen hun schitterende foto’s en genieten ze van een nacht met volle maan. De locals niet, herneemt de voice-over nog een keer. Het heldere licht trekt stropers aan – ze noemen het stropersmaan. „Vannacht zal er weer veel geschoten worden. Daaronder lijden de dieren… en de mensen.”