Dit zijn de ogen die Rembrandt zagen

Hollandse meesters uit de Hermitage

Schrijver Cees Nooteboom dwaalt langs Hollandse meesters in de Hermitage in Sint Petersburg, vanaf zaterdag te zien in hun geboorteland. ‘Ik vroeg mij af of die schilderijen ooit heimwee gehad hadden naar de plaats waar ze vandaan kwamen.’

De Hermitage in Sint Petersburg met Rembrandts ‘Portret van een man met een kraag’ en ‘Flora’: „een vraag heeft zich aan haar hele lichaam meegedeeld” Foto’s ANP Remko de Waal

Het is een vroege lenteavond in Sint Petersburg, de zon is er niet meer, maar het licht is er nog, het hangt nog aan bomen en gebouwen. Die ochtend ben ik uit Turijn vertrokken, een taxi reed door de stad, het was een lange rit, en door de ramen van de auto zag ik de gebouwen van een noordelijke Italiaanse stad, zonder te weten dat ik een uur of vijf later met een andere taxi langs gebouwen zou rijden die mij verrassend aan die eerdere, Italiaanse gebouwen zouden herinneren. Daar is op zich niets vreemds aan, de tsaar had Italiaanse architecten aangetrokken om zijn wonderstad te bouwen, tussen de twee steden lag een half Europa, ik was er alleen niet op verdacht, even leek het of ik nog steeds in dezelfde stad was. Naar mate ik het plein naderde waar ik zou wonen werd de begoocheling minder, de schaal was anders, alles was wijder, alles was plotseling machtiger, en de kathedraal van Sint Isaac met zijn immense gouden koepel en de glanzende rode en hoge zuilen maakten me duidelijk dat ik nu echt ergens anders was. Na een leven lang reizen was ik voor een eerste keer in Rusland en dan ook nog in de stad van Dostojevski en Nabokov, Poesjkin en Gogol, mijn hotel was oud en deftig, het was genoemd naar Engeland maar de naam was in het Frans geschreven, misschien kan het me vergeven worden dat ik even niet meer wist waar en in welke tijd ik aangekomen was.

Alles was tegelijk herkenbaar en vreemd, er waren plekken van grote leegte begrensd door paleizen en grote gebouwen, Europa en toch niet, theatraal en zelfbewust, deze pleinen waren gebouwd voor mensen op paarden of met koetsen, als voetganger voelde ik me doorzichtig. Ik was op goed geluk het hotel uitgelopen in de richting van waar de Neva moest zijn, achter het nergens eindigende admiraliteitsgebouw, een geelkleurig droombeeld dat in de avondlijke stilte sprak van andere tijden. In het halfdonker kwamen twee meisjes op paarden voorbij alsof ze geraden hadden wat ik zojuist gedacht had, ik riep op goed geluk ‘Neva’ en ze wezen dat ik verder naar rechts moest lopen, naar het donkere, bewegende water dat onder de Paleisbrug doorstroomde.

Lees ook het achtergrondstuk: Hollandse meesters terug in Nederland

Aan de verre overkant zag ik grote gebouwen op het Vasilyevsky eiland en nog verder naar rechts het fort van Peter en Paul, hoekige vestingmuren in het water. Het was te laat om naar de overkant te gaan, ik draaide me om, en nee, ik had geen visioen, en ja, ik zag het Winterpaleis en kreeg tegelijkertijd antwoord op een tekst van Paul Valéry waarin iemand aan Socrates vertelt over een architect, Eupalinos, die er van droomt om een gebouw te ontwerpen dat mathematisch zo volmaakt is dat het pure muziek is geworden, of, om het eenvoudiger te zeggen, een gebouw dat kan zingen. Ik had dat een tijd geleden gelezen als een hogere vorm van abstractie, een hoog gegrepen vergelijking, maar nu ineens begreep ik het. Het gebouw daar in de verte voor me, het Winterpaleis waarin de Hermitage gevestigd is, dat exuberante, hoog oprijzende gebouw met zijn gouden versieringen en ijle witte zuilen, zong.

Met vermoeide reizigers aan het eind van een lange dag kunnen rare dingen gebeuren, de architect en mathematicus Eupalinos van Valéry die nooit bestaan heeft, was werkelijk geworden in de persoon van Bartolomeo Rastrelli die tussen 1754 en 1762 het Winterpaleis gecomponeerd had. Ik wilde de droom niet bederven door al te dichtbij te komen en liep terug naar mijn hotel.

Het kunstwerk Flora van schilder Rembrandt in de Hermitage in Sint Petersburg.
Foto Remko de Waal/ANP
Het kunstwerk Portet van een man met een kraag en het kunstwerk Flora van schilder Rembrandt.
Foto Remko de Waal/ANP
Het kunstwerk Portet van een man met een kraag en het kunstwerk Flora van schilder Rembrandt.
Foto Remko de Waal/ANP

Over wijde trappen

De volgende dag had ik een afspraak in de Hermitage met het hoofd tentoonstellingen van de Amsterdamse Hermitage, die mij de schilderijen en vazen zou laten zien die in het najaar aan Amsterdam zouden worden uitgeleend. Primitief of magisch denken is iets wat ik me af en toe toesta, zeker als het over kunst gaat, en ik vroeg mij af of die schilderijen van Rembrandt, Dou, Heda, Hals en Van Goyen en alles wat ik verder zou zien, ooit heimwee gehad hadden naar de plaats waar ze vandaan kwamen. Jaren geleden, toen ik in het Frick Museum in New York lang naar Nederlandse schilderijen had staan kijken, had ik bedacht dat als ik of de daarop afgebeelde mensen iets zouden zeggen, wij de enigen zouden zijn die elkaar konden verstaan. Dat is natuurlijk een gedachte uit het ongerijmde, maar om mijzelf niet te hoeven uitlachen had ik bedacht dat het kwam omdat de mensen op Nederlandse schilderijen uit de gouden eeuw nog altijd zo herkenbaar zijn als Nederlanders, of, omgekeerd, dat ik in Amsterdam nog altijd mensen zie die zo door Hals of Metsu geschilderd hadden kunnen zijn.

In mijn notities heb ik nog een zin van die niet bestaande Eupalinos gevonden. Hij wilde le chant des colonnes horen, het gezang van de zuilen die ik nu, in de ochtend hoog voor me zie. Hij zei ook dat muziek en een gebouw, anders dan schilderijen, om je heen zijn, daar ontsnap je niet aan.

Marlies Kleiterp van Hermitage Amsterdam staat voor de poorten op me te wachten met Svetlana Datsenko, de Russische verbindingsvrouw tussen de twee musea, samen loodsen ze me langs de strenge wachters. Terwijl we over de wijde trappen naar boven lopen, waarover vroeger een maal per jaar de tsaar naar beneden kwam om aan de oever van de Neva de geboorte van Christus te vieren, neem ik zoveel als ik kan de omgeving in me op en het klopt, dit gebouw ontvangt je, omwikkelt je, ik zie tegelijkertijd pracht en eenvoud, goud en essentie, en voor ik het weet zijn we al op de afdeling van de Nederlandse collectie.

Een gang in de Hermitage „tegelijkertijd pracht en eenvoud, goud en essentie”
Foto Remko de Waal/ANP

Ik dwaal van schilderij naar schilderij, stillevens, jachttaferelen, portretten, landschappen, en op een vreemde manier ben ik zowel ergens anders als thuis. Ik zie een oude man, een jonge vrouw, een denkende oude man, een zelfbewuste jongere man. Dan dwaal ik van ze weg, kom in andere ruimtes, zie een zomers landschap, iemand die op een helling zit na te denken, ik zie een officier te paard en een jonge vrouw met een parelketting, iedereen die ik zie bevindt zich in de zeventiende eeuw maar ik heb geen ogenblik het gevoel van vervreemding dat daarbij zou moeten horen, het is het ogenblik van de confrontatie dat telt, zij zijn er nu en ik ben er nu, ik kijk in gezichten van mensen met wie ik zou kunnen praten, het extreme anders van hun kleren is van geen enkel belang. De kunstenaar, of dat nu Rembrandt is of Gerard Dou, heeft degenen die hij geschilderd heeft op een zodanige manier uit hun actualiteit getild dat die nu en hier voor mij onbelangrijk is geworden. Als ik naar de ogen van Flora kijk zie ik echte ogen en tegelijkertijd het idee van ogen, want, om het paradoxaal te zeggen, er zijn natuurlijk geen zeventiende-eeuwse ogen, er is, letterlijk, een ogenblik, waarop mijn ogen de ogen van een vrouw zien die door Rembrandt geschilderd is, en dat is tegelijkertijd het ogenblik waarop Rembrandt haar zag, en zij hem. Dat is het nu van het kijken dat het toen van het schilderen ongedaan maakt, zij wordt nu geschilderd, het is net af, ik ben er bij. Zoals straks, als dit schilderij in Amsterdam hangt, iedereen erbij zal zijn die bereid is tijdelijk de parafernalia van een andere tijd te vergeten en alles wat tijd aan dat schilderij was op te heffen, om te zien wat de schilder ons wilde laten zien, iemand, deze vrouw, haar ogen, haar mond waarmee ze misschien wel met hem sprak terwijl hij haar schilderde. Al dat andere komt dan later. Een Fries accent moet ze gehad hebben, zoals de schilder misschien een Leidse of Amsterdamse toon had, wie zal het zeggen?

Het wonder van het echte

Schilders en schilderijen hebben een geschiedenis, die is van belang, en tegelijkertijd gaat het daar niet om, bij grote kunst gaat het alleen maar om het nu van het kijken, en dat nu duurt op een raadselachtige manier al eeuwen door, het vindt in 1680 plaats en in 1789 en in 1917 – zoals het ook nu gebeurt, nu ik kijk en zij kijkt, ik haar zie en zij Rembrandt ziet en blijft kijken zolang dit schilderij blijft bestaan. Dat heeft, zoals altijd, met het wonder van het echte te maken, en dat is de reden waarom dit materiële object dat bestaat uit doek en verf straks ingepakt zal worden en door de lucht of over land naar de stad zal gaan waar het ooit gemaakt is. Uit de literatuur weet ik dat de schilder lang aan haar oorbel heeft gewerkt, nog een detail heeft veranderd, en natuurlijk is dat van belang en, alweer, niet van belang. Ik zie haar nu met deze oorbel, ik zie haar haar dat onder een wonderlijke bloementooi uitkomt, ik zie de zo levende kleur van haar gezicht maar ik zie vooral dat zo kleine lichtpunt in elk van haar ogen, die lichtelijk vragende uitdrukking die mij steeds weer terugroept als ik doorgelopen ben, alsof ze iets wil weten, op dat ogenblik van haar kijken heeft ze iets gedacht en we weten niet wat, net zo min als de schilder het wist, of wist hij het toch? Een vraag schilderen moet het moeilijkste zijn dat er is, en hier gaat het om een vraag die zich aan haar hele lichaam heeft meegedeeld. Vraag, bevreemding, zelfs de manier waarop bij beide handen de pink iets los staat van de andere vingers, de aarzelende losse greep om het scepterachtige voorwerp dat zij in haar rechterhand houdt, alles verwijst terug naar de blik in haar ogen, die door de opulentie en de ingewikkelde constructie van knopen en zomen en patronen niet verzwakt maar verhevigd wordt.

Vergaat het mij bij alle schilderijen zo? Nee, natuurlijk niet. En toch, even later sta ik voor het portret van een geleerde aan tafel, van Gerard Dou. Een boek, een globe, een bontmuts, een linkerhand die nog net uit een bontmouw tevoorschijn komt, de gouden glans van een wambuis, een rechterhand die een hoofd stut, een baard waarvan elk haartje afzonderlijk geschilderd lijkt. Hoe komt het toch dat Nederlanders matter, stof, zo goed konden schilderen, of het nu over kaas gaat, over oesters, een citroenschil of over het pantser van een krab zoals op het stilleven van Heda, of het nog verse vlees van het zojuist gevilde varken op het ook al zo tastbare tafereel van Van der Helst. Alles wat die oude geleerde aanheeft voel ik in mijn handen, de muts, het bont, maar ik zou die nooit durven aanraken. Want er is nog iets anders wat Dou geschilderd heeft: wantrouwen, een bijna verontwaardigde blik die mij op afstand houdt. Als ik naar deze ogen kijk hoor ik zelfs het stemgeluid van deze oude man: wegwezen jij!

Het kunstwerk Ontbijtje met een krab van schilder Willem Heda in de Hermitage in Sint Petersburg.Foto Remko de Waal/ANP

Onzin? Natuurlijk. Speculatie. Maar tegelijkertijd, waarom ben ik hier als ik me niet met deze schilderijen mag bemoeien, als ik me er niet in kan mengen? Marlies Kleiterp fluistert me toe hoeveel kleuren zwart er in het mansportret van Frans Hals zitten en wat ik zie is hoe die oneindige nuances in het zwart en in het wit van kraag en manchet bijdragen aan de uitdrukking van het gezicht van die man. Deze man wist wat hij aanhad, hij wist ook wat het gekost had, en dat hij dat wilde laten zien, hij wist wie hij was en als je goed kijkt weet jij het ook. Hetzelfde geldt voor het familieportret van Abraham van den Tempel, uit de tweede helft van de zeventiende eeuw. Ook deze mensen wisten wie ze waren, de zijden glans en de sieraden van de drie vrouwen, de lichtval in de rijke veelvoud aan plooien in hun overdadige jurken, de modieuze dracht van de mannen, en vooral de gezichtsuitdrukkingen van die mannen, vader en zoon, alles, tot en met de twee honden die meegeportretteerd zijn, drukt standsbewustzijn uit, dit zijn de bewoners van een rijke stad, van een rijk en machtig land in zijn gouden eeuw, en wie dit land een beetje kent weet dat ondanks veranderde tijden zulke gezichten nog steeds niet uitgestorven zijn.

Als ik buiten kom moet ik nog een keer aan Eupalinos denken. In het zonlicht van de late middag zingt het winterpaleis van de tsaren nog steeds. Op de brug over de Neva waar ik naar toe gelopen ben sta ik op de plaats waar de verwarde Raskolnikov uit Misdaad en Straf stilstaat en naar de stad voor hem kijkt en nadenkt over de dubbele moord die hij een paar dagen eerder begaan heeft. Dan loop ik verder naar mijn hotel en zie dat Dostojevski daar ooit om de hoek gewoond heeft en loop verder naar het deftige, maar vervallen paleisachtige huis waar de jonge Vladimir Nabokov in datzelfde 1917 voor het laatst de deur achter zich heeft dichtgedaan. Een stad als Sint Petersburg kun je als lezer niet straffeloos bezoeken, maar de ochtend daarna verdrijf ik alle spoken met het glas limonade van Gerard ter Borch. En alweer materie, de zilveren satijnen rok, het met wit bont afgezette gouden jak van de jonge vrouw, de al even jonge man tegenover haar met zijn breedgerande hoed, het gedempte licht van de donkere kamer. Zij is ziek, misschien van liefde of van iets anders, zij moet getroost worden, de half geschilde citroen in het glas dat haar moet genezen, de lichte onderhandse aanraking, hier zijn we terug in de intimiteit van het Hollandse binnenhuis dat van de grote data van de geschiedenis niets wil weten.

Foto Remko de Waal/ANP

Schatten

De uren daarna mag ik nog één keer langs alle schatten die in de herfst naar Amsterdam zullen verhuizen, Hondecoeters reuzenpelikaan en Potters gejaagde jager, de surreële wolk boven het liefelijke landschap van Karel Dujardin, de bijna verliefde blik van de engel boven de lijdende, verloren Christus in de tuin van Gethsemane, de schepen in de haven van Jan Baptist Weenix, met een officier in glanzend harnas op een schimmel en een vrouw die hem niet aankijkt, twee mensen verdiept in een geheime gedachte terwijl daarnaast het rumoer en tumult van de haven doorgaat en de schepen op de achtergrond verwijzen naar geheime vertes en de rijkdommen die men daar kon halen.

Hollandse meesters uit de Hermitage. Van 7 oktober 2017 - 28 mei 2018, Hermitage Amsterdam, hermitage.nl