Column

Dit is het mooiste Nederlandse liedje

Japke-d. Bouma schrijft wekelijks over de taal die ze om zich heen hoort. Deze week het lied Oude Maasweg.

Ik woonde in Rotterdam, ik werd er verliefd op de stad en op mijn grote liefde, en op een zonnige dag reed ik met hem naar de Oude Maasweg in een brakke, witte, Ford Escort – god wat was ik gelukkig. Dat verklaart dus al een eind waarom het lied Oude Maasweg van The Amazing Stroopwafels zo diep in mij genesteld zit, maar het gaat nog dieper. ‘Oude Maasweg’ zit verstrikt in mij.

Ik kwam het lied weer eens tegen in het boek De Standaards van Spits II dat vorige week uitkwam, een ode aan het Nederlandse lied door Frits Spits en vooral een ode aan de Nederlandse taal. Er staan ook liedjes in die ik vreselijk vind, zo gaat dat met woorden en klanken. Ze moeten ergens in je brein die ene grijze klodder vinden waar ze aan vastplakken en ze kunnen dus ook zomaar een afslag missen. Maar daar stond hij dan, op bladzijde 212, ‘Oude Maasweg’ en dan weet je ineens weer waarom je je hele jeugd op de radio naar Frits Spits geluisterd hebt – hij had het ook gehoord, de tijdloze schoonheid van dit lied.

Alles aan ‘Oude Maasweg’ vind ik goed: de kunstig opgezette tweede stem, de lyrische gitaarsolo zoals je ze zelden op een Nederlandse plaat hoort, maar vooral de Nederlandse tekst die je steeds verder het gapende gat van de eenzaamheid in trekt. Zelden zulke taalprecisie gezien.

Het is officieel een bewerking van Manhattan Island Serenade van Leon Russell en het begint ook met zijn Engelse tekst. Maar zodra het lied in het Nederlands van de Stroopwafels overgaat, wordt het een oer-Hollandse roadmovie over een man die op de snelweg strandt met een lege tank en wordt het origineel volkomen zoekgespeeld. Want ze zingen over Rotterdam, over ‘de olievlekken op de Maas’, over ‘de Ford Transit’ die hij achterlaat: alles is dichtbij – daar kan geen Engelse tekst tegenop.

Muzikanten die zichzelf serieus namen zongen geen Nederlands in die tijd, het waren de jaren 70, zegt Wim Kerkhof aan de telefoon, een van de makers van het lied, een echte muzikant en nog altijd actief met de Stroopwafels. „Maar we wilden dit wél in het Nederlands doen. Want als je iets moois wil maken moet je dingen pakken die dichtbij je liggen.” En dus zongen ze het eerste couplet in het Engels, om zichzelf een drempel over te helpen en werd de rest pophistorie.

De Oude Maasweg is natuurlijk ook de ideale ‘liefdesverdrietweg’, zegt Kerkhof. Hij keek er vroeger elke dag op uit, vanaf zijn hoge flat in Vlaardingen. „Een weg die doodloopt in het water, dat vond ik al een heel mooi beeld, en dan nog die lichtjes en vlammen van de petrochemische industrie. Maar de andere richting op, leidde hij naar mijn flat. Dat contrast, daar wilde ik altijd al iets mee doen.”

Maar het einde van het lied is pas écht onsterfelijk, het eindigt met een knock-out: „Nu ik je nooit meer zie”, (nooit meer!), „Oude Maasweg: (die desolate plek!), en dan de genadeklap: „kwart voor drie”.

Kerkhof heeft altijd de middag bedoeld, zegt hij. „Ik haat de middag, dan slaap ik meestal. Alle mooie dingen gebeuren in de ochtend, de avond en de nacht.” Maar in mijn hoofd is het kwart voor drie ’s nachts in dit lied: die ene man in de nevel, in de stortregen in het donker, op een doodlopende weg langs de Maas. De pijn, het gemis, het litteken voor altijd: liefdesverdriet nooit eerder zo mooi verbeeld.

Onovertroffen.

Taaltips op Twitter via @Japked