Cultuur

Interview

Rien Zilvold

Rotterdam als kunstwerk

Straatkunst

Raadsleden van D66, Groen Links en Nida willen meer street art op muren, deuren en elektriciteitshuisjes om de wijken op te fleuren. En jongeren willen een stem en vragen om ruimte voor graffiti. ‘De stad is van ons.’

De tijden zijn veranderd. Werd graffiti ooit gezien als bekladding van deuren, treinen en muren met een simpele ‘tag’ - een handtekening gespoten met een busje acrylverf in de donkerte van de nacht, zodat de kans op betrapping klein is -, tegenwoordig heet het kunst.

Steden pronken er mee, en dat wil Rotterdam ook. „Hoog tijd”, vindt initiatiefnemer Dave Vanderheijden van Hiphop In Je Smoel, een organisatie die street art en dus ook graffiti promoot. Dit voorjaar adviseerde hij de gemeente al over een oefenmuur in Crooswijk op het Schuttersveld, waar je na je geregistreerd te hebben op een website (Wallspot.org) tijd kunt reserveren om daar je schilderkunsten uit te leven. Bínnen de grenzen van de muur die staan aangegeven op een bordje dat daarnaast hangt: dát wel. ‘En svp niet op de stoeptegels en muren daarnaast morsen.’ Dat staat er ook nog bij, en: ‘opletten dat de verf geen spelende kinderen raakt’.

Groter had het contrast niet kunnen zijn. Graffiti is een vorm van straatkunst die ontstond in de jaren zeventig van de vorige eeuw in de Bronx, een toen zeer arme wijk van New York. „Het begon met muziek van rappers, graffiti hoorde daar bij. Al is dat een beetje ondergesneeuwd omdat de muziekcultuur veel meer de aandacht trekt.”

Het was een vorm van protest, die een grote groep arme, meestal zwarte, jongeren in de grote stad een stem gaf. De underdog die weigerde dat te zijn. „Zoiets van: wij zijn er ook en wij doen wat we willen.”

Kunstenaar: LastplakRien Zilvold

Hoewel gereguleerd, moet dat gevoel door middel van street art terug in de stad komen, vindt Vanderheijden. Naast al die grote bill boards van bedrijven die daarop voor hun handel adverteren, en winkelpuien van ketens in het centrum, die er al zijn. „Neem de gevel van Corso Casino op de Kruiskade”, zegt Vanderheijden. „Die ziet er toch niet uit? Waarom zouden Rotterdammers hun street art niet op de muren mogen schilderen terwijl dat er veel mooier uitziet dan die advertenties van de commerciële bedrijven? En daar zegt niemand wat van.”

Blinde muren

Allereerst moet Rotterdam af van de schoonmaakwoede die stamt van eind jaren negentig waarbij gemeenteambtenaren als een dolle beschilderingen van de muren krabden omdat de stad ‘schoon’ moest zijn. „Maar ja”, zegt Vanderheijden. Van wie is die stad dan? Van de grote bedrijven? Nee, redeneert hij, dat is Rotterdam niet. Rotterdam is van de mensen die hier wonen: die willen hun stem laten horen, en laten zien. „We reclaimen de stad.”

Raadslid Jos Verveen (D66) dient met zijn collega’s Judith Bokhove (GroenLinks) en Nourdin el Ouali (NIDA) deze week een voorstel in bij het stadsbestuur om deze jongeren hun stem terug te geven, via de muur dus. De bedoeling is dat de stad veel meer gaat doen om beschildering van muren - maar ook viaducten, elektriciteitshuisjes, metrowagons en andere objecten in de buitenruimte - te betrekken bij projecten. „Projectontwikkelaars zouden blinde muren kunnen laten beschilderen door street artists”, zegt Verveen, die het plan bedacht. „Dat kunnen ze vooraf begroten waardoor het een onderdeel wordt van het bouwproject.” Je voorkomt zo ook, is de hoop, dat muren van nieuwe huizen onder komen te zitten met tags, handtekeningen. „Als er een afbeelding opzit, blijven ze daar vanaf. En het geeft de wijk kleur.”

Dat is ook de mening van Bokhove, die vorig jaar het voorstel al indiende om de oefenmuur in Crooswijk te openen voor jonge Rotterdammers die graffiti willen leren spuiten. „Het kost niet veel geld en doet toch iets leuks voor de stad. Het blijkt dat er behoefte aan is, want de muur wordt veel gebruikt. Hij is al een paar keer overgeschilderd.”

Wat El Ouali van de op de islam geïnspireerde partij NIDA betreft, kan street art ook gebruikt worden om maatschappijkritiek te verwoorden, via de schilderkunst dan. Dat past bij de oorspronkelijke ziel van graffiti die sinds musea werk van bekende straat kunstenaars zoals Keith Haring aankochten steeds vaker gezien wordt als kunst. „De ziel van de street artist is dat wat hij maakt, helemaal uit hem zelf komt”, vindt Chris Versteegh (40). Hij werkt samen met het tienkoppige Rotterdamse graffiticollectief Lastplak en is uitgever van Street And More, een Engelstalig graffiti magazine. „Als je het doet in opdracht van de gemeente, klopt er iets niet helemaal met waarom je het eigenlijk wilde doen.”

De eerste keer dat hij zelf een muur bespoot was hij zestien jaar. Met een paar klasgenoten ging hij naar een leegstaand zwembad in Spijkenisse, en bespoten ze de kleedhokjes. Met tags. Stiekem.

Vandalisme

Dat mensen dat niet zien als kunst maar als vandalisme, deert hem niet. Hij zat er in zijn jonge jaren zelfs een paar dagen voor in de bak toen de politie hem betrapte. Hij pakt er een boek bij dat vol foto’s van deuren en muren met tags staat. „In de subcultuur van de street artists is dat wél kunst. Het gaat erom dat je van elkaar weet dat je daar geweest bent. Waarom is het kunst? Tsja, waarom? Dat is altijd de discussie. Je denkt: ik ga naar Amsterdam, er kijkt even niemand: hup een tag op de bank van de trein. Hup, een tag op de muur in de metro. Een andere street artist denkt dan: hee, die en die is hier ook geweest. Dat je je handtekening er achterlaat. Daar gaat het om. Op een trein, op een muur.” Dat ze dus eigenlijk een beetje het territorium van de graffitispuiter worden.

Maar ja, wat schiet de gewone Rotterdammer daarmee op? „Niks”, vindt Judith Bokhove van GroenLinks. „We hebben in Essenburgpark een tuinhuisje groen geschilderd. Vlak daarna had een jongen daar een tag opgezet. Daar hebben we hem toen op aangesproken. Het was niet zo dat hij ons huisje wilde bekladden. Toen we hadden gezegd dat we dat zonde vonden, heeft hij het niet meer gedaan, en zijn vrienden ook gezegd het met rust te laten.”

Kunstenaar: TymonRien Zilvold

Dus de groep van graffitispuiters waar hij inzat respecteerde de bewoners rondom Essenburgpark wel. „Tsja”, zegt Verveen, „wat mij betreft ligt de grens daar waar het gaat om andermans bezit. Daar moet je gewoon vanaf blijven.”

„De gemeente moet gewoon lekker de gemeente blijven”, vindt Versteegh. „Die moet lekker blijven krabben als wij weer ergens iets beschilderd hebben of ergens een tag op hebben gezet. Als zij dat leuk gaan vinden, krijg je toch het idee dat er iets niet klopt. Zoals dat je als puber niet wilde dat jouw aardrijkskundeleraar ineens zei: ‘Tjee, die muziek die je daar draait is goed!’ Dat klopt niet. Die aardrijkskundeleraar moest gewoon lekker die ouwe zak blijven die hij was.”

Als Versteegh een muur ziet die hij wil beschilderen, belt hij meestal eerst de eigenaar van het pand om toestemming te vragen

Toch is het contrast van Versteeghs huidige werkwijze met het voorstel van de drie progressieve raadsleden minder groot dan hij in zijn meest rebelse gedachtes blijkt te hebben. Als Versteegh een muur ziet die hij wil beschilderen, belt hij meestal eerst de eigenaar van het pand om toestemming te vragen. Niks stiekems aan. Al komt het idee wel van hemzelf. Net als zijn vrienden van Lastplak, van wie de meest opvallende Ox Alien is omdat hij zoveel muren in Rotterdam beschilderd heeft. (Zijn werk is te herkennen aan veel roze en een figuurtje met een kruisje in plaats van een oog.)

„Die bellen ook eerst met de eigenaar”, zegt Vanderheijden van Hiphop In Je Smoel, die ze allemaal kent. Een voorbeeld is de muur van de voormalige coffeeshop ACT in de Westewagenstraat in het centrum. Die is een paar jaar geleden beschilderd door drie street artists van Lastplak nadat de eigenaar toestemming gaf. Het is een meters hoog groen met paars schilderij geworden met een grote bruine huismus erop. De contouren van het dier zijn heel precies. „Een bijzonder werk”, zegt Vanderheijden. „Drie street artists hebben hun stijlen daarin samengevoegd.” Ze schilderden het in een dag, zegt Versteegh. Heel snel dus. Vanderheijden: „Dat kunnen ze omdat ze zo ervaren zijn.”

Kunstenaar: Daan Botlek. Rien Zilvold

Versteegh is een vakman. Hij werd grafisch vormgever, laat zich invliegen in steden zoals Londen en Parijs voor skate events en hippe merken zoals Vans waarvoor hij de schoenen bespuit. Het beschilderen van een skate board voor aan de muur levert hem zo een paard duizend euro op. Het tijdperk van stiekem tags achterlaten is hij al lang gepasseerd.

Het gaat er in de ogen van Verveen juist om kale muren in de stad met afbeeldingen op te luisteren waardoor de wijken zouden kunnen veranderen in een soort open lucht museum. Hij stuurt na het gesprek nog een bericht met zestien foto’s van beschilderde muren in Bogotà. Levensgrote schilderijen waarmee de wijken in de Colombiaanse hoofdstad zich mee profileren. „Dat kunnen wijken in Rotterdam ook doen.”

Toeristen

Voor Dave Vanderheijden is dat ook waar het om draait. Hij wil dat jongeren hun stempel op de stad drukken. Zoals vroeger. „Je wilt niet weten hoe het er hier voor de schoonmaakwoede van de ambtenaren uitzag. Overal zat graffiti. Overal!”

De gemeente moet uit de ‘schoonmaakmodus’, vindt hij, en de stad haar ‘eigenheid’ laten herwinnen, tégen de commercie. Een begin daarvoor is gemaakt, zegt hij. Er verschijnen steeds meer muurschilderingen die hij met zijn organisatie Rewriters, een onderdeel van Hiphop In Je Smoel, verzamelt en op een app gezet heeft. Die leidt je door de stad van straat naar straat, van muur naar muur, van schildering naar schildering. „Je ziet ook dat er toeristen op af komen. We hebben geweldige street artists: Mr. June, Telmo Miel, enzovoorts. Steden overal ter wereld vliegen hen in en betalen voor hun werk. Laat Rotterdam hen óók vragen muren te beschilderen.”