Opinie

Laat rechter niet oordelen over grenzen euthanasie

De vragen die de uitdijende euthanasiepraktijk oproept, zijn medisch, ethisch en filosofisch van aard, schrijft . Een rechter heeft daar geen antwoord op.
Foto Getty

Het OM heeft een strafonderzoek ingesteld naar een als ‘onzorgvuldig’ beoordeelde euthanasie. Als dat leidt tot een strafzaak, wordt de Rubicon overgestoken. Sinds de invoering van de euthanasiewet in 2002 werden 83 gevallen door de regionale toetsingscommissies (RTE’s) als ‘onzorgvuldig’ beoordeeld, niet één keer kwam justitie in actie.

Nu wel. De recente advertentiecampagne van artsen tegen het euthanaseren van diepdemente mensen (‘Niet stiekem bij euthanasie’) zal daar niet vreemd aan zijn. Het gaat in elk geval om een van de gevallen die de artsen onder vuur namen: de euthanasie die een verpleeghuisarts in 2016 uitvoerde bij een 74-jarige, ernstig dementerende vrouw.

De toetsingscommissie beoordeelde deze euthanasie als onzorgvuldig omdat de schriftelijke wilsverklaring van de vrouw ambigu was, de arts voorafgaand aan de euthanasie een slaapmiddel toediende en niet reageerde op een afwerend gebaar bij het inbrengen van de infuusnaald.

Wrang daarbij is dat de betrokken arts handelde in een schemer die de politiek welbewust heeft geschapen, namelijk toen via een zogeheten ‘ministeriële handreiking’ (december 2015) de eis werd geschrapt dat de doodswens in elk geval nog gecommuniceerd moest kunnen worden. In „zeldzame gevallen” kan een arts „gehoor geven aan het euthanasieverzoek ook als de patiënt dit niet meer in woord of gebaar kan bevestigen”, zo stond het in die handreiking. Artsenfederatie KNMG zette er haar handtekening onder. Of men daar achteraf zo gelukkig mee is, is een tweede.

Komt het tot strafrechtelijke vervolging, dan zal voor het eerst de rechter zich uitspreken over casuïstiek aan de randen van de euthanasiewet. Die is divers. Het gaat niet alleen om het gewicht van schriftelijke wilsverklaringen bij wilsonbekwaamheid. Eerder al vroeg coördinerend RTE-voorzitter Jacob Kohnstamm aandacht voor de verlegenheid van artsen en toetsingscommissies met de toenemende vraag naar levensbeëindiging op grond van ‘stapeling van ouderdomskwalen’.

Zat daar een ondergrens aan? De rechter moest een antwoord geven. Kohnstamm stelde voor daartoe de zogeheten cassatie in het belang van de wet mogelijk te maken, eventueel ook als een RTE een euthanasie als ‘zorgvuldig’ had beoordeeld. Vragen over de interpretatie van de euthanasiewet zouden zo aan de Hoge Raad kunnen worden voorgelegd, zonder dat de betrokken arts een rechtsgang hoefde te vrezen.

De wetgever heeft destijds de toetsingscommissies als een zeef tussen arts en strafrechter geplaatst, maar, zo redeneerde Kohnstamm, in de praktijk is die zeef „bijna ondoorlaatbaar”. Dat leverde weliswaar rechtszekerheid op voor artsen, maar zij betaalden die met groeiende morele onzekerheid. En met kwetsbaarheid voor druk om de wet royaal uit te leggen. Daar gaat het ook om bij de roep om piketpaaltjes.

Of zoals gezondheidsjurist Martin Buijsen onlangs in Medisch Contact stelde: om hun rechtszekerheid hoeven artsen zich, gezien het terughoudende beleid van het OM, echt geen zorgen te maken. Daar verandert een eventuele veroordeling in de nu ophanden zijnde zaak niet veel aan. Voor zover bekend is tot nu toe viermaal, waarvan driemaal vorig jaar, euthanasie verleend aan een diepdemente oudere. Dat roept zeker ernstige vragen op, maar laten we zaken in perspectief blijven zien.

RTE’s zijn ingehuurd om een wet uit te voeren, en dat betekent: de grenzen ervan bewaken. Nu die onder maatschappelijke druk aan het schuiven zijn, ontstaat meer ruimte voor interpretatie en dat brengt twijfel met zich mee.

Maar moet de rechter die wegnemen? De rechter heeft verstand van het strafrecht, terwijl de vragen die de uitdijende euthanasiepraktijk oproept medisch, ethisch en filosofisch van aard zijn. Zo bezien zouden RTE’s, en indirect artsen, meer geholpen zijn met een extra toetsing waarin deze dimensies vertegenwoordigd zijn. Een soort centrale instantie waar Kohnstamm met zijn vragen terecht kan. De rechter zou er dan alleen aan te pas komen bij het vermoeden van een criminele intentie.

Natuurlijk heeft jurisprudentie (Schoonheim 1985, Chabot 2004) de bodem onder de Nederlandse euthanasiepraktijk gelegd. Toch wringt er iets bij juist deze zaak. De politiek heeft de deur op een kier gezet voor demente mensen die een heldere en actuele euthanasieverklaring als het zover is niet meer ‘in woord of gebaar’ kunnen bevestigen. Is de vraag die nu aan de rechter wordt voorgelegd in essentie niet of die deur weer in het slot moet?

Kohnstamm zou via de Hoge Raad de grenzen van de euthanasiewet willen (her)definiëren. De route die hij voorstelde, is niet alleen lastig (oordelen van de toetsingscommissies zijn geen rechtsuitspraken en die zijn nodig voor cassatie in het belang van de wet), de principiële vraag is of de rechter, i.c. de Hoge Raad, aangewezen is om ontsporing van de euthanasiewet tegen te gaan.

Artsen en RTE’s vragen, begrijpelijk genoeg, om houvast nu het publieke gevoelen over het gekozen levenseinde de wet als werkbaar kader onder druk zet. Maar dat is uiteindelijk geen vraag aan de rechter, het is een vraag aan de wetgever. Die moet de grenzen van de euthanasiewet bepalen.