Recensie

Johan Maelwael: groot in Frankrijk

Tentoonstelling

Slechts één schilderij is zeker van Johan Maelwael. Onze beste schilder van rond 1400.

‘Kunst van de late Middeleeuwen in Frankrijk en de Nederlanden’. Of ‘Schilders en beeldhouwers aan het Bourgondische hof rond 1400’. Desnoods ‘Johan Maelwael en zijn tijd’. De saaiheid van die titels is vast de reden dat het Rijksmuseum de tentoonstelling brutaalweg presenteert onder slechts de naam van het middelpunt: Johan Maelwael (ca. 1370-1415). Maar paradoxaal genoeg heeft die naam zo goed als geen tastbare substantie. Van deze Nederlands-Franse schilder wordt niet meer dan één schilderij getoond waarvan wordt aangenomen dat het helemaal door hemzelf is gemaakt.

Nu zou het ook een onmogelijke opgave zijn een monografische expositie te maken over de raadselachtige middeleeuwse meester wiens oeuvre nu eenmaal voornamelijk nog op papier bestaat. Documenten vermelden opdrachten en betalingen voor vele wandschilderingen, altaarstukken en devotiepanelen die in de loop der tijd onherroepelijk verloren zijn gegaan. Er is maar één project bekend dat ook, zij het gedeeltelijk, bewaard is gebleven. Dit is de beschildering die Maelwael aanbracht op de kalkstenen sculpturen van profeten die Claes Sluter in 1395-1404 maakte voor de beroemde ‘Mozesput’ in het kartuizerklooster van Champmol bij Dijon. In Dijon, hoofdstad van het hertogdom Bourgondië, vierde Maelwael zijn grootste triomfen.

Johan Maelwael was omstreeks 1370 geboren in Nijmegen, waar hij zijn opleiding zal hebben gekregen in de werkplaats voor heraldische en decoratieve schilderingen van zijn vader en oom. Hoe de Nijmeegse decorateur van gebruiksvoorwerpen als wapenschilden, uithangborden en harnassen in korte tijd kon uitgroeien tot hofschilder en kamerheer van de Bourgondische hertog Filips de Stoute, laat zich niet precies reconstrueren. Waarschijnlijk werd zijn talent opgemerkt aan het Nijmeegse hof van de hertog van Gelre, die via zijn vrouw verwant was aan de koningin van Frankrijk. Voor haar voerde Johan Maelwael in 1396 een opdracht in Parijs uit. Mogelijk heeft de koning op zijn beurt een goed woordje voor de schilder gedaan bij zijn oom, hertog Filips, want al een jaar later is Maelwael bij hem in vaste dienst.

Gotisch

Hoewel werk van Maelwael zelf in de tentoonstelling dus maar zeer mondjesmaat voorhanden is, laat de presentatie wel mooi zien hoe goed het moet hebben aangesloten bij de exquise kunstpatronage van de Bourgondische vorst. Een rond paneel (ca. 1400) met een diameter van ruim een halve meter, dat nu in het Louvre wordt bewaard en voor het eerst in Nederland wordt geëxposeerd, toont het naakte lichaam van de gestorven Christus dat wordt ondersteund door God de Vader en beweend door Maria, de apostel Johannes en een groepje engelen. De langgerekte lichamen en de fijngesneden gezichten van de figuren in het schilderij sluiten aan bij de verfijnde, elegante stijl van de internationale gotiek. Tegelijk is vooral in de smartelijke gezichten van de engelen een nieuw realisme waarneembaar. Het doet denken aan de geëxposeerde kleine sculpturen van rouwende kartuizer monniken die Claes Sluter toevoegde aan zijn grafmonument voor hertog Filips.

De toeschrijving van het schilderij aan Maelwael is gebaseerd op de veronderstelling dat de geraffineerde uitvoering en de kostbaarheid van de kleurstoffen wijzen op een voortreffelijk kunstenaar die bezwaarlijk iemand anders kan zijn dan de hofschilder zelf. Bovendien staat op de achterzijde het wapen van de hertog, zorgvuldig geschilderd zoals Johan het van zijn familie in Nijmegen moet hebben geleerd. Stilistisch heel dicht in de buurt van dat werk komt een schilderij van Madonna met kind, engelen en vlinders, met spinachtige vingers en kinderlijke engelen met spitse neuzen. Het is een product van Maelwaels atelier waarin hij mogelijk ook zelf de hand heeft gehad.

Johan Maelwael, die er onder de verfranste naam Jean Malouel bekend is, maakt in feite deel uit van de canon van de laat-middeleeuwse Franse schilderkunst. Dat geldt ook voor zijn neven Paul, Johan en Herman van Limburg die waarschijnlijk via de connecties van hun oom al op jonge leeftijd furore maakten in Frankrijk. In de expositie wordt Maelwael echter gevierd als ‘de eerst bekende Nederlandse schilder’. Daar is wel iets voor te zeggen: voor familiebezoek en zaken reisde de schilder regelmatig op en neer tussen zijn oude en zijn nieuwe vaderland en in 1405-1406 was hij voor langere tijd terug in Nijmegen waar hij ook in het huwelijk trad.

Maar als Maelwael beschouwd moet worden als een Nederlandse kunstenaar, dan maakt de expositie ook mooi duidelijk hoezeer zijn piepkleine oeuvre de wat houterige schilderijen van de doorsnee schilder uit de Noordelijke Nederlanden overtreft.