Recensie

Telkens is daar die venijnige zwenking in hypnotiserend Thron

Minimalistisch ballet Thron van Krisztina de Châtel staat ruim dertig jaar na de première in 1984 als een huis.

Het zijn gedetineerden, of soldaten op wacht. Mediterende mystici van een obscure sekte misschien, onvermoeibaar hun strakke bewegingsreeksen repeterend binnen de begrenzing van een klein labyrint. Ongenaakbaar, krachtig en consequent. Maar steeds ingekaderd door rechte ‘muren’ die hun actieradius beperken. Muren van slechts een centimeter of vijf hoog, alsof ze bijna overbodig zijn geworden, volkomen geïnternaliseerd door de vijf vrouwen.

Zo ziet Thron van Krisztina de Châtel eruit, en ruim dertig jaar na de première in 1984 staat het stuk als een huis. De Châtel was in die tijd in haar meest streng-minimalistische periode: Thron werd gemaakt ná Light en Lines, en vlak voor de klassieker Föld. De jaren tachtig zijn in Thron ook herkenbaar aan de bruingrijze bandplooibroeken en oversized overhemden.

Minimalistisch betekent bij De Châtel ook écht minimalistisch. Een kristalheldere opbouw van steeds verschuivende patronen, zoals in de destijds speciaal door Patricio Wang gecomponeerde muziek ook telkens iets verandert. Een langzaam uitdijende beweging, waarin elke kleine verandering, zoals een freeze of een plotse tegenbeweging, tot een gebeurtenis wordt. Niet lichtvoetig zoals bij haar Amerikaanse collega Lucinda Childs, maar zakelijk, rechtlijnig, ernstig en zonder franje: een Bauhaus-architect in de dans.

Thron begint, natuurlijk, met één vrouw die het grondpatroon introduceert: twee passen, een aansluitpas, achter gekruist, de schouderpartij die scherp zwenkt. Een voor een staan de vier andere vrouwen op van hun stoeltjes langs de kant om zich bij haar te voegen.

Het kleine doolhof – een ontwerp van de Duitse beeldend kunstenaar en theatermaker VA Wölfl – wordt in steeds wisselende combinaties bezet, terwijl de complexiteit van dans en muziek gestaag toeneemt. De danseressen verheffen zich op de tenen, doen een scherpe uitvalpas, ze maaien met hun arm, tillen een been op. En telkens is daar die venijnige zwenking.

Als om die herhaalde bewegingen nóg beter te demonstreren, heeft De Châtel een vertraging ingebouwd. Alleen de nieuw toegevoegde, elektronische muziek van Huib Emmer begeleidt de danseressen dan nog. Maar zijn compositie doet enigszins afbreuk aan de strenge consistentie van het geheel en is het enige minpuntje aan deze spannende, hypnotiserende herneming.

„Een choreografische tuchthuis” werd Thron in 1984 door een recensent genoemd, en helemaal onbegrijpelijk is dat niet. Misschien is ‘een choreografische leerschool’ een betere benaming: Thron is voor dansers een oefening in concentratie en bewegingsarticulatie (lof voor Marina Bilterijst, Gilda Federica Cesario, Alina Fejzo, Mariagrazia Nacci en Martina Orlandi), voor aspirant choreografen een voorbeeldige constructie.