Taillewerkster, besteedster, stovenzetster

Ewoud Sanders

Een van de interessantste boeken die ik de laatste tijd heb gelezen is Leidraad voor de Haagsche meisjes bij de keuze van een beroep. De eerste druk verscheen in 1912 en het is samengesteld door Anna Polak, directrice van het Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid.

Veel vrouwen zien betaald werk als een zware last, aldus Polak. Doordat vrouwen niet weten hoeveel keuze er is, is de concurrentie voor een klein aantal beroepen moordend; die banen worden daardoor zo slecht betaald dat het werk inderdaad onbevredigend is – een vicieuze cirkel die dit gidsje met betere voorlichting wilde doorbreken.

Het boekje bevat een ‘Lijst van Beroepen en Betrekkingen, in Nederland door vrouwen vervuld’, plus een ‘Lijst van Beroepen en Betrekkingen, door Vrouwen te vervullen, waarvoor in Den Haag opleiding te vinden is’.

Bij de onderhandelingen voor Rutte III is afgesproken dat scholieren minstens één keer het Rijksmuseum en de Tweede Kamer moeten bezoeken. Ook moeten zij meer weten over het Wilhelmus en de Grondwet. Ik zou daar graag enige historische kennis over de Nederlandse arbeidsmarkt aan toevoegen, bijvoorbeeld aan de hand van dit gidsje, want mannen en vrouwen hebben nog altijd ongelijke kansen.

Taalkundig is dit gidsje trouwens ook interessant: je komt er tientallen beroepsnamen in tegen die nu zijn verdwenen. Zoals linnenmeisje, stovenzetster, besteedster (‘dienstbodenverhuurster’), detacheuse (‘vlekken-uitmaakster’), bandagiste en taillewerkster.

De lijst met beroepen waarin vrouwen werkzaam zijn, telt er 278. In theorie was de keuze dus best groot, maar in de praktijk werden sommige beroepen nauwelijks door vrouwen uitgeoefend. Zo staat er bij stationschef: „Voor zoveer wij weten 1 in ons land, te Mastenbroek.” Daarnaast telde ons land in 1912 één makelaarster (in Haarlem), één glazenwasser (Alkmaar), één koetsier (Domburg), één politie-assistente (Rotterdam) en twee pianostemsters (Leiden en Leeuwarden). De aanduidingen glazenwasster en koetsierster ontbreken.

De lijst met vrouwenberoepen waarvoor in Den Haag een opleiding te vinden was, wordt gevolgd door informatie over opleiding, duur, kosten, leeftijd en het te verwachten salaris. Met name deze informatie vond ik erg boeiend.

Je kon in 1912 maar beter geen boekbindster worden, want volgens dit gidsje was de markt indertijd ingestort. Een toiletjuffrouw op de trein van Amsterdam naar Emmerich verdiende één gulden vijftig per rit. Een lectrice (‘voorlezeres’) kon zo’n 25 gulden per maand verdienen, althans als zij ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds voorlas. De kans dat je redactrice, journaliste, verslaggeefster of recensente kon worden was uiterst gering. „Het aantal vrouwen dat, buiten den kring der vrouwenbladen, in de redactiën van couranten of tijdschriften is opgenomen, is uiterst klein”, aldus de Haagse leidraad.

Een bijzonder beroep was stationsjuffrouw. Zij werd ingehuurd door vrouwencomités en ving, voor een salaris van 200 tot 500 gulden per jaar, meisjes op bij treinstations, stoomtrams en boten. Het ging om meisjes die via een krantenadvertentie in een vreemde stad een betrekking hadden gevonden. De stationsjuffrouwen wezen deze meisjes op betrouwbare logementen en deden zo nodig onderzoek naar de werkgevers.

Waarom? Omdat heel veel van dergelijke krantenadvertenties indertijd tot doel hadden om meisjes in de prostitutie te lokken. Ook als ze simpelweg om een dienstmeid of keukenhulp vroegen.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders