Column

Ontbijt bij Tiffany (op de stoep)

Joyce Roodnat

Joyce Roodnat zoekt naar de betovering van film op de plaatsen waar beroemde opnamen werden gemaakt. De betovering blijft uit. Die is er wel bij een bezoek aan het huis van Monet.

Soms is nieuws zo mooi. Ik riep bijvoorbeeld zachtjes ‘Hoera!’, toen ik las dat juwelier Tiffany op een veiling 847.000 dollar overhad voor Audrey Hepburns persoonlijke script van Breakfast at Tiffany’s (1961). Het klopt, het hoort daar. De film begint immers met Audrey Hepburn (ze speelt een jonge vrouw van wankele zeden) die in avondjurk en valse parels ’s morgens vroeg op Fifth Avenue uit een taxi rolt om met een beker koffie en een broodje weg te dromen bij de etalages van Tiffany. Het licht is grauw en zij ook. Ze is een verloren ziel en haar verweer is haar hartverscheurende manipulatie van de werkelijkheid. Te beginnen met dat ontbijt bij Tiffany: een metafoor voor de tweedehands ervaring van de dromer die doet alsof een fantasie toch een beetje echt is.

Zijn filmofielen in New York, dan kunnen ze het niet laten: ze gaan naar Fifth Avenue en zoeken Tiffany voor een Hepburn-moment. Dat deed ik ook. Heilige grond, zei ik tegen mezelf. Denk aan Audrey, die stond hier, op de grond onder jouw voeten. Maar ik merkte niks en de betovering bleef uit. Tot ik de film weer eens zag en ik alles kreeg wat ik daar op de stoep had gezocht. Ontbijt bij Tiffany – die titel verwijst naar vergeefs verlangen en zelfs leegte.

Maar ik bleef het proberen. Ik heb in de Berry gewandeld langs de plaatsen waar Jacques Tati zijn monumentale komedie Jour de Fête (1949) draaide. Vele herkenbare hoekjes en gevels, maar de film was ver weg. Op de Povlakte heb ik net zo lang door de rijstvelden gelopen tot ik de boerderij uit het legendarische filmdrama Bittere rijst (Riso amaro, 1949) had gevonden. Hij was vervallen en het was bloedheet met muggen. Allemaal precies als in de film. Tevergeefs.

Ik lees het Tiffany-bericht in St. Paul de Vence, waar ik dertig jaar geleden Yves Montand zag flipperen. Hij brulde met zijn mooie stem verwensingen omdat de ballen niet deden wat hij wilde. Het was geweldig. Maar dat was toen en toen is weg. Ik vermijd het café, ik bewaar mijn herinnering aan Montand. Aan zijn stem en aan zijn lijf waarmee hij tegen die flipperkast stond op te rijden.

In Giverny, bij Parijs, bezoek ik het huis van de schilder Claude Monet en wandel in zijn droom van een tuin, vol bloemen en struiken en treurwilgen in volle vaart. Het is me direct dierbaar, ik voel me bij hem te gast. Hij liet het pad naar zijn voordeur overwoekeren met Oost-Indische kers zodat het een gouden pad werd.

Giverny: Het pad naar de voordeur van Claude Monet. Foto Erik van Zuylen

Kronkelwegjes volgend bereik ik de vijver met het bruggetje. Daar schilderde hij de waterlelie-schilderijen waar ik in het Parijse museum Marmottan tussen zat en maar geen genoeg van kon krijgen. Mijn ogen worden nat. Niet om Monet die daar was, maar omdat ik daar nu ben.