Column

‘Niets doen is lafheid’

De ironie wilde weer eens wat. Drie dagen voor de slachting in Las Vegas door een geschifte schutter verscheen onze gewaardeerde countryzanger Douwe Bob in het vreedzame tv-programma Ilse’s Veranda van countryzangeres Ilse de Lange. Douwe zei dat hij dol was op outlaws en de wapens die daarbij hoorden.

Een inwoner van Nashville kwam vertellen dat er in steden van die omvang iedere week wel iemand werd doodgeschoten en dat hij thuis minstens twintig wapens had. Moest dat niet eens verboden worden? „Welnee”, glimlachte hij, „het wapen is niet de dader”.

Daarna ging Douwe op bezoek bij Charlie Haffner, de eigenaar van de oudste schietbaan van Amerika. Wilde Douwe niet even schieten? Nou, graag! Hij schoot op een schietschijf waarop een beer was getekend. „Right between the eyes!”, juichte Douwe. „Iedereen kan een goede Winchester waarderen”, zei Charlie alsof hij het over een exquise wijnsoort had.

Douwe moest toegeven dat „het ook dubbel is, weet je”. Hoezo? „Ik weet wat wapens doen, Charlie is een te gekke gozer, maar aan de andere kant is het een redneck, is hij gewoon gek geworden.” Rednecks waren ooit hardwerkende, opstandige blanke arbeiders op het platteland, maar ze worden tegenwoordig vooral geassocieerd met machogedrag, racisme en geweld. Of ze allemaal gek worden, weet ik niet, maar ze hangen in ieder geval graag de stoere jongen uit. Het zijn vooral mannen, evenals veel van die mass shooters. Ze houden ook erg van countrymuziek, net als ik trouwens.

Stephen Paddock, de massamoordenaar in Las Vegas, heeft niet de achtergrond van een authentieke redneck, want hij zou rijk zijn geworden met vastgoed. Maar hij hield wel van wapens en countrymuziek; de ironie slaat hier wéér toe: hij was een countryfan die andere countryfans doodde. Ook moet Paddock, net als die schietgrage Charlie van Douwe Bob, gek zijn geworden, nog een stuk gekker zelfs.

Maar de vreemdste speling van de ironie is voor mij dat Amerika zó bang is geworden voor geweld dat men dit geweld juist over zich afroept. „Dit is de prijs voor de vrijheid”, zei Billy O’Reilly , de ultrarechtse ex-anchorman van Fox News. „Het Second Amendment zegt duidelijk dat Amerikanen het recht hebben om zichzelf te beschermen. Ook gekken.”

Dus om zichzelf te beschermen deelt O’Reilly wapens uit aan gekken, die hem vervolgens vanuit hun hotelkamer overhoop kunnen schieten als hij een dansje maakt op de muziek van Johnny Cash. Wie is hier eigenlijk gek geworden?

Ik kan er niet meer bij en begrijp dan ook de verslagenheid bij de komische Amerikaanse talkshowhosts, die beseften dat ze hun ironie maar beter even konden opschorten. „Je wilt toch een veranderingsgezinde president zijn en alles anders doen dan Washington?”, riep Stephen Colbert naar Trump. „Bewijs het! Doe het! Ik meen het! Je wilt toch Amerika weer groot maken? Doe waartoe de laatste twee presidenten niet in staat waren. Kom dan met verstandige wetgeving voor wapens, de grote meerderheid van het Amerikaanse volk wil het ook.”

„Niets doen is lafheid,” vatte Colbert samen, „iets doen vereist moed.” In feite vragen Colbert en zijn collega’s om moreel leiderschap. Als komieken dat doen, moet er werkelijk iets aan de hand zijn.