Commentaar

Ministers op zoek naar werk kan toch niet de bedoeling zijn

Als de voortekenen niet bedriegen zal Mark Rutte (VVD), kampioen van de kleine overheid, aantreden als aanvoerder van één van de grootste naoorlogse kabinetten: 16 ministers plus negen staatssecretarissen. De laatste keer dat er zoveel ministers bij de traditionele staatsiefoto rondom het staatshoofd stonden was in 1973 toen het door de VVD vermaledijde kabinet-Den Uyl aantrad.

Dat er zo veel ministers komen, heeft niets te maken met doelmatig besturen, maar alles met coalitielogica. In het vierpartijenkabinet van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie dat nu dan toch eindelijk aanstaande lijkt, moeten allen zich voldoende in het kabinet vertegenwoordigd zien. En dus krijgt de ChristenUnie, die in de Tweede Kamer niet meer dan vijf zetels heeft, twee ministersposten. Waarom eigenlijk? Er zijn toch geen partijministers? De Grondwet spreekt niet voor niets over eenheid van regeringsbeleid. Vervolgens worden ter wille van het evenwicht CDA en D66 met vier ministers bediend en krijgt de VVD als grootste partij er zes.

Zestien ministers. Heeft het land die wel nodig, na decennia waarin alleen maar rijkstaken naar decentrale overheden dan wel naar Europa zijn overgeheveld? De beste argumenten tegen uitbreiding van het aantal ministers kwamen de afgelopen jaren van premier Rutte. Het probleem met meer bewindslieden was volgens hem dat deze personen werk gaan zoeken om hun salaris te rechtvaardigen. Rutte wilde juist, zoals hij zelf zei, „een kleine en krachtige overheid met kleine kabinetten zodat iedereen het net iets te druk heeft”.

Vandaar enkele jaren geleden, Ruttes pertinente weigering de overbelaste minister van Defensie te laten bijstaan door een staatssecretaris. Ook voelde hij er niets voor om de tot zijn komst in 2010 gebruikelijke post van staatssecretaris van Europese Zaken te herintroduceren. Maar nu er een nieuwe meerderheidscoalitie gevormd moet worden, zijn alle taboes verdwenen.

Om zestien bewindslieden aan het werk te zetten komt er, zoals zaterdag in NRC beschreven, het recordaantal van vijf ministers zonder portefeuille. Zij komen in te wonen bij een ander departement en worden belast met een speciale taakopdracht. Een projectminister kan een zekere meerwaarde met zich meebrengen in het departementaal verkokerde landsbestuur. Maar met uitzondering van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking wijst de ervaring met ministers zonder portefeuille een andere kant op.

Al te vaak waren ze veel tijd kwijt met het leveren van een interne strijd binnen de ambtelijke bureaucratie, al was het maar om over een eigen budget te beschikken. Daarna fungeerden zij als schietschijf voor de oppositie die hen kon wegzetten als minister voor Spek en Bonen dan wel als minister van Lege Dozen.

Had VVD-onderhandelaar Rutte maar beter naar premier Rutte geluisterd. Bij deze formatie heeft het er weer alle schijn van dat takenpakketten in elkaar geknutseld dan wel uit elkaar getrokken worden om maar een ministerspost te creëren. Het gebeurt allemaal weinig doordacht. Bij het inrichten van het kabinet wint politieke opportuniteit het van noodzakelijkheid. Voor het garanderen van een effectief bestuur is dit precies de verkeerde volgorde.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.